ECLI:NL:RBDHA:2025:20470
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid bedreigingen en lage mate willekeurig geweld in Libië
Eiser diende op 15 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 9 juni 2025 werd afgewezen. De minister oordeelde dat de bedreigingen door milities en een familielid ongeloofwaardig waren en dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens werd geoordeeld dat de situatie in Tripoli geen ernstige risico's op willekeurig geweld oplevert.
Eiser voerde aan dat zijn verklaringen ten onrechte als ongeloofwaardig werden beoordeeld en dat hij vanwege de medische situatie van zijn moeder geen asiel in Turkije kon aanvragen. De rechtbank oordeelde dat de minister de verklaringen terecht als tegenstrijdig en vaag heeft beoordeeld en dat het niet aannemelijk is dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld, mede omdat eiser meerdere malen terugkeerde naar Libië.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het asielverzoek heeft afgewezen en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij individuele risico’s loopt die afwijken van de algemene situatie in Tripoli. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.