ECLI:NL:RBDHA:2025:20471

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
NL25.51047
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

De minister van Asiel en Migratie legde op 15 oktober 2025 aan eiser, een Tunesische vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, de maatregel van bewaring op wegens risico op onttrekking aan toezicht. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 31 oktober 2025 via telehoren, waarbij eiser tijdens de zitting weigerde terug te keren na een incident.

De rechtbank constateerde dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaring niet had bestreden en dat de maatregel op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd. Hoewel eiser alleen de zware gronden 3d en 3f betwistte, vond de rechtbank dat de overige onbetwiste gronden voldoende waren om het risico op onttrekking aan toezicht te onderbouwen. Eiser voerde aan dat hij wilde meewerken aan terugkeer en dat een lichter middel volstond, maar de rechtbank oordeelde dat zijn positieve acties nog pril en onvoldoende waren.

De minister had voortvarend gewerkt aan uitzetting door vertrekgesprekken en het indienen van een laissez-passer aanvraag. Er was zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank zag geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51047

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],

van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. De minister heeft op 15 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Op de rechtbank in Groningen is zijn gemachtigde en een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Nadat een aanvang is gemaakt met het horen is eiser door de beveiliging weggevoerd, omdat hij uit boosheid gooide met een voorwerp. Hij weigerde vervolgens terug te komen. Met toestemming van partijen is de behandeling van het beroep op de zitting daarna voortgezet. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
Lichte gronden4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. Eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid aanhef en onder a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Aan eiser is op 11 september 2020 een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Op 15 oktober 2025 is daarnaast een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd voor Tunesië. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. De maatregel is dus op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, met uitzondering van de zware gronden 3d en 3f, niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de onbetwiste gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 4a, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang bezien, voldoende zijn voor de conclusie dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat daarom de rechtmatigheid van de zware gronden 3d en 3f onbesproken.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat hij wil meewerken aan zijn terugkeer naar Tunesië en een lichter middel daarom volstaat. Dit blijkt uit het feit dat eiser zich voorafgaand aan deze bewaring heeft gemeld in Ter Apel met de wens terug te keren naar Tunesië. Eiser werd daar weggestuurd, waarna hij naar Duitsland is vertrokken. De Duitse autoriteiten hebben hem overgedragen aan Nederland en vervolgens is deze maatregel van bewaring opgelegd. Eiser heeft daarnaast zijn geboorteakte overgelegd. Ook hieruit blijkt zijn motivatie om terug te keren. Tot slot kan hem niet worden verweten dat hij niet zelf contact heeft opgenomen met IOM [2] . Eiser wist namelijk niet van het bestaan hiervan en had hier eerder op moeten worden gewezen.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen. De rechtbank overweegt dat eiser inderdaad acties heeft ondernomen in het kader van een mogelijke terugkeer. Deze weliswaar positieve ontwikkeling is echter nog erg pril en onvoldoende voor het oordeel dat een lichter middel opgelegd moet worden. Zo is er door de minister terecht op gewezen dat er al sinds 2020 een vertrekplicht op eiser rust en hij tot voor kort geen stappen heeft ondernomen om Nederland te kunnen verlaten. De minister is er dan ook terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
9.1.
Eiser heeft verder geen medische omstandigheden aangevoerd. De minister heeft eiser erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft tot slot geen persoonlijke omstandigheden kenbaar gemaakt.
Voortvarendheid
10. Door de minister wordt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser gewerkt door op 17 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser te voeren en op 21 oktober 2025 een lp [3] -aanvraag te verzenden. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat dit eerder had gemoeten.
Zicht op uitzetting
11. Zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië ontbreekt in het algemeen [4] en ook specifiek voor eiser niet. Er is een lp-aanvraag verzonden en er is geen aanleiding voor de verwachting dat deze niet vertrekt zal worden. Temeer omdat eiser inmiddels zijn medewerking verleent.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [5]
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Internationale Organisatie voor Migratie.
3.Laissez-passer.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:275).
5.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).