ECLI:NL:RBDHA:2025:20666
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingebrekestelling bij asielaanvraag
Eiser diende op 14 januari 2024 een asielaanvraag in en stelde de minister van Asiel en Migratie op 16 juli 2024 schriftelijk in gebreke vanwege het uitblijven van een besluit. Vervolgens stelde eiser op 16 september 2024 beroep in, dat door de rechtbank Groningen op 27 februari 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend. Dit was het gevolg van een rechtsgeldige verlenging van de beslistermijn met negen maanden op grond van WBV 2023/26.
Eiser stelde op 22 juni 2025 opnieuw beroep in, verwijzend naar het Zimir-arrest waarin werd geoordeeld dat de verlenging van de beslistermijn niet rechtsgeldig was. Eiser stelde dat de eerdere uitspraak in strijd was met dit arrest en dat de beslistermijn inmiddels was verstreken. De rechtbank constateerde echter dat de eerdere uitspraak van 27 februari 2025 in rechte vaststaat en dat eiser geen verzet of herzieningsverzoek had ingediend.
Daarnaast had eiser na de eerdere niet-ontvankelijkverklaring geen nieuwe ingebrekestelling gedaan, wat wettelijk vereist is om opnieuw beroep in te stellen. De rechtbank oordeelde dat eiser had moeten kiezen tussen het aanvechten van de eerdere uitspraak of het opnieuw in gebreke stellen van de minister. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een nieuwe ingebrekestelling na eerdere niet-ontvankelijkverklaring.