In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie, omdat deze niet tijdig heeft beslist op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel. De rechtbank had eerder bepaald dat de minister binnen acht weken na de uitspraak van 29 april 2025 moest beslissen. Eiser stelt dat de minister deze termijn heeft overschreden, wat aanleiding geeft voor het beroep. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat de minister niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen. De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding van de behandeling van het beroep af, omdat dit de prikkel om tijdig te beslissen zou wegnemen. De rechtbank geeft de minister een termijn van twee weken om alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op van € 250,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 37.500,-. Daarnaast moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden, die zijn vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en is openbaar gemaakt op 29 augustus 2025.