ECLI:NL:RBDHA:2025:20705

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL24.33237
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheidsverklaring bezwaar visum kort verblijf onterecht

Eiseres, een 58-jarige vrouw woonachtig in Marokko, diende een aanvraag in voor een visum voor kort verblijf in Nederland, welke door de minister werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister haar bezwaar niet-ontvankelijk omdat zij reeds een Schengenvisum van de Franse autoriteiten had ontvangen. Eiseres betoogde dat zij wel degelijk procesbelang heeft, omdat zij door het tijdsverloop en de noodzaak om via Frankrijk te reizen hogere kosten maakt en geen inhoudelijke rechtsbescherming krijgt.

De rechtbank oordeelt dat eiseres een actueel en reëel belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar en beroep. De situatie waarin zij zich bevindt leidt ertoe dat zij steeds opnieuw visumaanvragen in Frankrijk moet indienen, wat onredelijk is en haar rechtsbescherming belemmert. De minister heeft het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 2 augustus 2024 wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33237

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , [V-Nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en

de minister van Buitenlandse zaken, de minister

(gemachtigde: mr. N. Peters).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het bezwaarschrift van eiseres gericht tegen de afwijzing van een visum voor kort verblijf. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk mocht verklaren.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard
.Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2023 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 2 augustus 2024 heeft de minister het bezwaarschrift van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat gebleken is dat eiseres in het bezit gesteld is van een Schengenvisum door de Franse autoriteiten.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De dochter en schoonzoon van eiseres, [dochter] en [schoonzoon] , waren aanwezig met S.L. Mathari als tolk. Eiseres was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van de zaak
3. Eiseres is een 58-jarige vrouw en woont in Marokko. Eiseres wil Nederland bezoeken om haar contacten met haar dochter, schoonzoon en kleinkinderen te onderhouden. Eiseres heeft een broer in Frankrijk. Ook een nieuwe aanvraag voor een visum kort verblijf is inmiddels afgewezen in een besluit van 19 januari 2024 en het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk verklaard op dezelfde grond dat eiseres een visum van de Franse autoriteiten heeft verkregen.
Standpunten van partijen
4. Eiseres voert aan dat zij nog procesbelang heeft bij de inhoudelijke behandeling van haar bezwaarschrift en het beroep. Eiseres moet nu steeds via Frankrijk heen en weer reizen naar Nederland om haar familie te bezoeken. Dit leidt tot hogere kosten en is tijdrovend. Ook voert eiseres aan dat zij zich nu steeds gedwongen voelt om een aanvraag in te dienen in Frankrijk, vanwege de afwijzende beslissingen in Nederland. Eiseres kan tegen de afwijzende beslissingen ook geen rechtsbescherming krijgen, omdat haar bezwaarschriften steeds niet inhoudelijk worden beoordeeld door de minister door een toegekend visum voor kort verblijf van de Franse autoriteiten.
4.1.
Volgens de minister heeft eiseres geen procesbelang in de onderhavige procedure, omdat de Franse autoriteiten het verzoek om een visum voor kort verblijf hebben ingewilligd. Dit visum is geldig voor het gehele Schengengebied en zij kan hiermee dus naar Nederland reizen. Eiseres kan hierdoor niet in een gunstigere positie worden gebracht.
Ontvankelijkheid
5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is de bestuursrechter slechts gehouden tot een inhoudelijke beoordeling van een bij hem ingediend beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan, indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. [1]
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres procesbelang heeft bij haar beroep. Het actuele en reële belang van eiseres in deze procedure is gelegen in de waarborging van haar rechtsbescherming en de extra kosten die zij genoodzaakt is te maken voor het reizen via Frankrijk. Om deze reden heeft de minister ook het bezwaar van eiseres ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
De rechtbank begrijpt dat eiseres zich momenteel telkens genoodzaakt voelt om ook in Frankrijk een aanvraag in te dienen voor een visum kort verblijf als zij haar familie in Nederland wil bezoeken, nu haar aanvragen in Nederland meerdere malen zijn afgewezen. Als gevolg van het tijdsverloop dat gepaard gaat met juridische procedures, worden haar bezwaarschriften tegen de afwijzing van een visum kort verblijf door de minister niet-ontvankelijk verklaard omdat zij op dat moment reeds een visum heeft verkregen van de Franse autoriteiten. Door deze situatie kan eiseres geen inhoudelijke beslissing op de afwijzingen verkrijgen, tenzij zij geen gelijktijdige aanvragen meer doet in Frankrijk. De rechtbank is van oordeel dat dit niet van haar kan worden gevergd, omdat zij dan het risico loopt op wederom een afwijzing met als gevolg dat zij haar familie in de gewenste periode niet kan bezoeken, terwijl zij van de Franse autoriteiten wel een visum kan krijgen. Eiseres heeft hierdoor weldegelijk belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar. Bovendien wordt zij door deze situatie ook gedwongen om via Frankrijk te reizen, wat tot hogere kosten leidt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bezwaarschrift van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de gemachtigde van eiseres heeft verzocht, zelf in de zaak te voorzien. Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar en het onderzoek in de bezwaarfase nog niet compleet is.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister aan eiseres proceskosten vergoeden. Deze vergoeding bedraagt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 2 augustus 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:518.