In deze zaak heeft eiser, vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat deze niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 18 september 2024 en had volgens de wet uiterlijk binnen zes maanden, dus voor 18 maart 2025, moeten beslissen. Eiser heeft de minister op 19 augustus 2025 in gebreke gesteld, omdat er na de ingebrekestelling van twee weken nog steeds geen besluit was genomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister aanvankelijk de beslistermijn had verlengd, maar deze verlenging is later ingetrokken, waardoor de oorspronkelijke termijn van zes maanden weer van toepassing was.
De rechtbank heeft besloten dat het niet nodig was om partijen uit te nodigen voor een zitting. De rechtbank heeft de minister een termijn van twee weken gegeven om alsnog een besluit te nemen, maar heeft ook bepaald dat de minister binnen acht weken na de uitspraak een gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. De rechtbank heeft een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, wat betekent dat eiser gelijk heeft gekregen. Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, omdat eiser een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld voor het indienen van het beroepschrift.