Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:20736

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.36325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding wegens vertraagde besluitvorming machtiging voorlopig verblijf

Verzoekster diende een beroep in tegen het uitblijven van een tijdige beslissing van de minister op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 18 augustus 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ingetrokken werd omdat de minister aan het beroepschrift tegemoet was gekomen door alsnog een besluit te nemen. Op grond van de Awb en het Besluit Proceskosten bestuursrecht kan in een dergelijk geval proceskostenvergoeding worden toegekend.

Gezien de lichte aard van de zaak en het beperkte belang, werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast op het standaardbedrag van €907,-, resulterend in een vergoeding van €453,50. Tevens werd het griffierecht vergoed. De minister werd veroordeeld tot betaling van deze kosten.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €453,50 proceskostenvergoeding en het griffierecht wegens vertraagde besluitvorming.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36325
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee), en
de minister van Asiel en Migratie,de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verzoekster heeft een beroep ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van verzoekster voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: de aanvraag).
Op 18 augustus 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster haar beroep ingetrokken. Zij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft niet op het verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.2
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. De minister heeft immers alsnog een besluit op de aanvraag van verzoekster genomen.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoekster een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden.3

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
C.A.A.W. van der Heijden, griffier.
3 Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 september 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.