ECLI:NL:RBDHA:2025:2078
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de hoogte van de tegemoetkoming voor kinderen in toeslagenaffaire
De rechtbank Den Haag heeft op 18 februari 2025 uitspraak gedaan in vier samenhangende bestuursrechtelijke zaken waarin kinderen van gedupeerde ouders in de toeslagenaffaire beroep deden tegen de hoogte van de hen toegekende tegemoetkoming op grond van de kindregeling. Eisers stelden dat de forfaitaire bedragen van €4.000 of €6.000 onvoldoende waren en beriepen zich op de hardheidsclausule en immateriële schadevergoeding.
De rechtbank overwoog dat de kindregeling een generieke regeling is, gebaseerd op een zorgvuldig proces met betrokkenheid van kinderen en jongeren, en dat de hoogte van de tegemoetkoming dwingend is vastgesteld in artikel 2.12 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Afwijking van deze bedragen is niet mogelijk, ook niet op grond van de hardheidsclausule, omdat artikel 2.12 expliciet niet genoemd wordt in die clausule.
Verder wees de rechtbank erop dat compensatie voor werkelijk geleden schade via de Commissie Werkelijke Schade kan worden aangevraagd door de gedupeerde ouder namens het gezin. De rechtbank verwierp ook het verzoek om inzage in persoonlijke dossiers en het verzoek om immateriële schadevergoeding, omdat de bestuursrechter daartoe geen bevoegdheid heeft onder het oude recht dat hier van toepassing is.
De beroepen werden ongegrond verklaard, verzoeken om schadevergoeding afgewezen en eisers kregen geen proceskostenvergoeding. De rechtbank benadrukte dat zij het besluit toetst aan de wet en niet op de stoel van het bestuursorgaan of de wetgever kan gaan zitten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst verzoeken om hogere tegemoetkoming en schadevergoeding af.