ECLI:NL:RBDHA:2025:20821

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
25_1439
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van verzoek om overbrenging naar Nederland op basis van de Tolkenregeling voor een lokale medewerker uit Afghanistan

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 6 november 2025, wordt het beroep van eiser, een lokale medewerker uit Afghanistan, tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor overbrenging naar Nederland beoordeeld. Eiser had gewerkt voor het bedrijf Global Peace and Logistics Service (GPLS) van 2007 tot 2010 en stelde dat hij gevaar loopt vanwege zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie. De minister van Defensie had zijn aanvraag afgewezen op basis van het besluit van 9 januari 2024, en dit werd bevestigd in het bestreden besluit van 16 december 2024. De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiser als de gemachtigde van verweerder aanwezig waren.

De rechtbank concludeert dat eiser niet voldoet aan de criteria van de Tolkenregeling, die bescherming biedt aan lokale medewerkers die een substantiële periode voor een Nederlandse missie hebben gewerkt en daardoor persoonlijk risico lopen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij in een extra zichtbare en kwetsbare positie was, noch dat hij momenteel een reëel gevaar loopt. De rechtbank oordeelt dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen, en dat eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor eiser om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk bedreigd wordt, wat hij niet heeft kunnen doen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1439

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit Afghanistan, eiser

(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en
mr. A.J.M. Zwiep.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft verzocht om overbrenging van Afghanistan naar Nederland. Hij werkte in de periode van 2007 tot en met 2010 voor het bedrijf “Global Peace and Logistics Service” (GPLS) als assistent chauffeur ten behoeve van de bevoorrading van het Nederlandse kamp Holland te [plaats] , [provincie] . Hij stelt dat hij gevaar loopt als gevolg van deze werkzaamheden. Verweerder heeft zijn verzoek afgewezen omdat hij niet voldoet aan de criteria van de Tolkenregeling. [1] Volgens verweerder verschilde eiser niet van een grotere groep mensen die werkzaamheden verrichtten en diensten verleenden op of in de Nederlandse ISAF-basis. Hij vervulde geen functie waarin hij regelmatig actief door Nederlandse militairen in posities werd gebracht, waardoor hij extra zichtbaar werd en er sprake was van vereenzelviging met de Nederlandse militaire missie. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een actuele, hedendaagse bedreiging.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat de aanvragen ruimhartig moeten worden bezien, maar dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder ruimhartig heeft getoetst. Verweerder legt het vereiste van zichtbaarheid onredelijk streng uit. De regeling vereist niet dat een medeweker fysiek naast Nederlandse militairen stond. De kern van de regeling is dat een medewerker als zodanig herkend wordt als ondersteunend aan de missie. Eiser werd wel regelmatig actief door Nederlandse militairen of politiefunctionarissen in posities gebracht waardoor hij extra zichtbaar werd. Als schoonmaker en assistent-chauffeur verrichtte hij logistieke taken die onmisbaar waren voor de continuïteit van de militaire aanwezigheid ter plaatse. Hij was zichtbaar binnen het kamp, werkte in de directe nabijheid van Nederlandse militairen en heeft meerdere
Letters of Appreciationontvangen waarin zijn bijdrage aan de missie expliciet wordt erkend. Het vereiste van vereenzelviging met de missie moet functioneel en contextueel worden geïnterpreteerd en niet exclusief gereserveerd worden voor tolken of gewapende begeleiders. Ook ondersteunend personeel op de basis werd door de lokale bevolking als deel van de missie gezien en droeg zodoende veiligheidsrisico’s. Juist de zichtbaarheid binnen het kamp en het werk onder toezicht en ten dienste van Nederlandse militairen leidde tot vereenzelviging met de missie. Hij was structureel zichtbaar binnen een beveiligd militair kamp in een regio waar de Taliban bekend stond om het doelbewust identificeren van medewerkers die aan westerse troepen gelieerd waren. Zijn naam werd bovendien geregistreerd in systemen van de Afghaanse autoriteiten die later in handen van de Taliban zijn gekomen. Daarmee liep hij een vergelijkbaar risico als andere lokaal ingehuurde medewerkers die wel als tolken of beveiligers zijn erkend. Eiser heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat hij wordt bedreigd als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse missie. Hij heeft verklaard dat hij ondergedoken leeft, zijn gezicht bedekt, regelmatig moet verhuizen en via zijn omgeving verneemt dat naar hem wordt gevraagd door de Taliban. De Taliban heeft inmiddels toegang tot lijsten met namen van personen die voor westerse troepen hebben gewerkt. Hij loopt daardoor een reëel risico op represailles. Hij wordt in een onmogelijke bewijspositie geplaatst als hij moet aantonen dat hij bedreigd wordt. De Taliban werkt niet met officiële waarschuwingen of oproepen. Verder is het bekend dat de Taliban huiszoekingen doet. Verweerder heeft hem niet gevraagd wanneer de huiszoekingen hebben plaatsgevonden, dus kan hem ook niet worden tegengeworpen dat hij niet heeft uitgelegd in welke periode ze plaatsvonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De Tolkenregeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van het bestuursrecht. [2] Het gaat bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. [3] De bestuursrechter toetst buitenwettelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkene zich daarop beroept. Omdat de beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets. [4]
5. Verweerder heeft onder verwijzing naar verschillende Kamerstukken uitgelegd dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen drie groepen die in beginsel onder het beschermingsbereik van de Tolkenregeling vallen. [5] De voor dit beroep relevante groep betreft lokale medewerkers (anders dan tolken) die aannemelijk kunnen maken een substantiële periode voor een Nederlandse missie of functionaris te hebben gewerkt en daardoor vandaag de dag persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. [6] Dit zijn cumulatieve vereisten. Om na te gaan wie bescherming nodig hebben, is de aard van de werkzaamheden van belang. Deze moeten zodanig zijn dat de persoon in kwestie regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse EUPOL-functionarissen in posities is gebracht waarin hij of zij extra zichtbaar was en vereenzelvigd werd met de Nederlandse missie. Hierbij kan worden gedacht aan genderspecialisten. Het kabinet heeft vanwege de veiligheidssituatie in Afghanistan destijds aangegeven deze aanvragen ruimhartig te bezien. [7] Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat deze mededeling van het kabinet is gedaan op het moment dat de evacuaties plaatsvonden. Er is toen inderdaad ruimhartig(er) beslist, maar daarna is de Tolkenregeling weer toegepast zoals deze altijd werd toegepast. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat er hoe dan ook zorgvuldig moet worden getoetst aan de Tolkenregeling.
6. Eiser heeft in de periode van 2007 tot en met 2010 werkzaamheden verricht voor GPLS. Verweerder heeft kunnen aannemen dat de aard van die werkzaamheden eiser onvoldoende onderscheidt van een grotere groep mensen die werkzaamheden verrichtten en diensten verleenden ten behoeve van de Nederlandse missie. De genoemde werkzaamheden hebben eiser niet in een extra zichtbare en kwetsbare positie gebracht waardoor hij vereenzelvigd is met de Nederlandse missie. Daar komt bij dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van die werkzaamheden nu concreet gevaar loopt. Hij heeft niet uitgelegd of onderbouwd waaruit de dreiging, waardoor hij zich genoodzaakt ziet om onder te duiken, concreet bestaat. Dat de Taliban toegang zou hebben tot lijsten met namen van personen die voor westerse troepen hebben gewerkt is in dat verband onvoldoende. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er huiszoekingen zijn geweest. Daar komt bij dat sinds zijn werkzaamheden voor GPLS veel jaren zijn verstreken en dat, zoals verweerder heeft gesteld onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan [8] , eventueel gevaar in Afghanistan veel oorzaken kan hebben. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet zou mogen vasthouden aan de bewijslastverdeling. Hoewel eiser zich in een moeilijke bewijspositie bevindt, kan verweerder nog steeds van eiser verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij persoonlijk gevaar loopt. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren. Verweerder heeft het verzoek om overbrenging daarom kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. de Graaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkafspraken tolken, te vinden via: https://open.overheid.nl/documenten/05768c10-ed82-4ece-80b5-def86652392b/file.
2.In de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.
3.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de speciale voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.
4.Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.9.2.1 en 4.9.2.2.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 27 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5226.
6.Zie het antwoord op vraag 11, van Kamerstukken
7.Zie het antwoord op vragen 11 en 12, van Kamerstukken
8.Van 30 juni 2023, paragraaf 3.1.4.1.