6.2.De rechtbank kan eiser volgen in zijn stelling dat hij gedurende zijn verblijf in Nederland verder is verwesterd. Dit heeft hij onderbouwd met verschillende stukken, zoals een overeenkomst en deelnameformulier als voetbalcoach voor de Jeugd 2025/26 bij TOS-Actief, een voetbalcoachovereenkomst tussen eiser en csv DVVA, en het krantenartikel uit het Parool. Uit deze stukken blijkt dat eiser een zeer betrokken voetbalcoach is, voor zowel dames als kinderen, waaronder ook meisjes. Dit acht de rechtbank van belang, omdat dit openbare en vindbare informatie is. Zoals eiser heeft aangevoerd, zou dit niet toegestaan zijn in Afghanistan en kan het bijdragen aan het beeld dat eiser verwesterd is waardoor hij nog meer in de negatieve belangstelling van de Taliban komt te staan. Afgezien van de omstandigheid dat verweerder het niet geloofwaardig vindt dat eiser wordt beschuldigd van na mahram en daardoor bij de Taliban in de negatieve belangstelling staat, volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 19 april 2024 en de Afdelingsuitspraak van 20 november 2024 dat de andere omstandigheden, zoals hierboven omschreven, in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld bij de vraag of eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft dit niet gedaan. De rechtbank stelt daarom een motiveringsgebrek vast. Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder de problemen vanwege de politiek prominente vader van eiser ongeloofwaardig kunnen achten?
7. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft toegelicht waarom hij de documenten die eiser heeft overgelegd niet de waarde kan geven die eiser zou willen. Het is een speculatieve overweging van verweerder dat aangetoond zou moeten worden met openbare bronnen dat zijn vader, [naam 2] , een belangrijke rol zou hebben gespeeld bij het vorige regime en sterke banden zou hebben gehad met de heer [naam 3] , een prominente tegenhanger van de Taliban. Eiser heeft aangetoond dat zijn vader sterke banden had met deze politici, onder andere met foto’s waarop de vader van eiser de handen schudt van prominente politici van het vorige regime.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde problemen vanwege de politiek prominente vader ongeloofwaardig heeft kunnen achten. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser het verwantschap tussen hem en zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt. De omstandigheid dat er een brief ligt waarin iemand schrijft dat hij de vader van eiser is en de omstandigheid dat blijkens een foto eiser en zijn gestelde vader op elkaar lijken, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om verwantschap aan te tonen. Eiser heeft geen documenten overgelegd, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte, waar het verwantschap uit zou blijken. Afgezien hiervan is niet gebleken dat de vader van eiser politiek actief was. Hij was een zakenman en is meer dan twintig jaar geleden naar Saoedi-Arabië gevlucht vanwege discriminatie. Het is niet gebleken dat eiser bij een eventuele terugkeer naar Afghanistan hierdoor gevaar zou lopen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM?
9. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 15 september 2025. In deze uitspraak is overwogen dat het wielrennen van belang was voor de identiteit van de vreemdeling en daarmee ook voor artikel 8 van het EVRM. In onderhavige zaak, voert eiser aan dat voetballen en het coachen van alle geslachten en leeftijden voor hem van cruciaal belang is voor zijn identiteit. Dit is verboden in Afghanistan, waardoor eiser zijn identiteit niet zou kunnen ontplooien.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Verweerder hoeft op grond van artikelen 3.6a en 6.1e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bij een opvolgende aanvraag niet ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook al begrijpt de rechtbank dat voetballen en het coachen hiervan belangrijk zijn voor eiser, heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom dit in zijn geval zou moeten leiden tot het afwijken van artikelen 3.6a en 6.1e van het Vb. Deze beroepsgrond slaagt niet.