ECLI:NL:RBDHA:2025:20835

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.51038
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling en zicht op uitzetting naar Algerije

De minister van Asiel en Migratie legde op 15 oktober 2025 aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit zonder rechtmatig verblijf, de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt.

De rechtbank behandelde het beroep op 31 oktober 2025 via telehoor en concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig is. Eiser betwistte alleen de zware grond 3e, maar de rechtbank vond dat de overige gronden, waaronder 3a, 3b, 3c, 4c en 4d, voldoende zijn om de bewaring te dragen. De rechtbank stelde dat eiser niet uit eigen beweging aan zijn vertrekplicht zal voldoen en dat een lichter middel niet toereikend is.

De rechtbank nam ook kennis van de medische omstandigheden van eiser, die recent een rughernia-operatie onderging, maar vond dat de medische zorg in het detentiecentrum adequaat is. De minister handelde voortvarend door onder meer een vertrekgesprek te voeren en een laissez-passer aan te vragen. De rechtbank verwierp het standpunt van eiser dat zicht op uitzetting ontbreekt, mede op basis van door de minister overgelegde statistieken over uitzettingen naar Algerije.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51038

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. De minister heeft op 15 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de rechtbank in Groningen is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
Lichte gronden4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid aanhef en onder a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Aan eiser is op 15 mei 2024 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. Eiser heeft alleen zware grond 3e betwist. Ten aanzien van de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 4c en 4d ziet de rechtbank ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat. De rechtbank laat daarom de beoordeling van de rechtmatigheid van zware grond 3e onbesproken.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Eiser heeft geen concrete stappen gezet om zijn vertrek te bevorderen. De enkele stelling van eiser is dat hij bereid is om mee te werken, leidt daarom niet tot een ander oordeel.
8.1.
Eiser verklaart recent te zijn geopereerd aan een rughernia en ook pijnstillers te slikken. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de medische omstandigheden van eiser, door erop te wijzen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank stelt vast dat eiser verder geen persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt.
Voortvarendheid
9. De minister heeft op 16 oktober 2025 schriftelijk aan de op 4 september 2025 aangevraagde lp [2] gerappelleerd. Daarnaast is op 21 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
10. Eiser stelt dat de minister er zelden in slaagt om ongedocumenteerde Algerijnen uit te zetten en dat zicht op uitzetting daarom ontbreekt. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling en verwijst daarbij naar door de minister op de zitting overgelegde cijfers. Deze cijfers zien op de periode vanaf 1 oktober 2024 tot 1 oktober 2025. Uit de cijfers blijkt dat er in die periode 58 lp’s zijn verkregen, waarvan 30 voor gedocumenteerden en 28 voor ongedocumenteerden. Daarnaast zijn er 49 personen gedwongen uitgezet. Er zijn dus concrete aanwijzingen dat de Algerijnse autoriteiten lp’s verstrekken en dat er ook gedwongen uitzettingen plaatsvinden. De rechtbank neemt daarom aan dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen [3] , maar ook specifiek voor eiser niet ontbreekt. Er is geen aanleiding voor het vermoeden dat de Algerijnse autoriteiten geen lp aan eiser zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [4]
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892) en van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).
4.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).