In deze zaak heeft eiser, vertegenwoordigd door mr. M. Issa, beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat deze niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De minister ontving de aanvraag op 6 augustus 2024 en had volgens de wet binnen zes maanden, dus uiterlijk op 6 februari 2025, moeten beslissen. Eiser heeft de minister op 11 juli 2025 in gebreke gesteld, maar heeft meer dan twee weken gewacht met het indienen van beroep, wat de rechtbank niet heeft weerhouden om het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de beslistermijn had verlengd, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de oorspronkelijke termijn van zes maanden weer van toepassing is. De rechtbank heeft de minister een termijn van zestien weken gegeven om alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot een maximum van € 15.000,-. Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, omdat eiser juridische bijstand heeft ingeschakeld. De uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka en is openbaar gemaakt op 30 september 2025.