Eiser is op grond van een terugkeerbesluit uit 2020 in bewaring gesteld wegens het niet naleven van zijn vertrekplicht uit Nederland. Hij voerde aan dat het terugkeerbesluit te oud was en dat zijn staandehouding en aanhouding onrechtmatig waren. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit nog steeds geldig is en dat de staandehouding niet op vreemdelingenrechtelijke gronden plaatsvond, waardoor deze niet ter toetsing stond in deze procedure.
Verweerder stelde dat de maatregel van bewaring noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank vond de zware gronden, zoals het niet opvolgen van vertrekplicht en het onttrekken aan toezicht, voldoende onderbouwd en feitelijk juist. Lichte gronden zoals het ontbreken van vaste woonplaats en middelen van bestaan werden niet verder besproken.
Eiser stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend was vanwege zijn langdurige verblijf en geworteldheid in Nederland. De rechtbank oordeelde dat gezien het risico op onttrekking en het feit dat eiser niet wil terugkeren naar Ghana, de bewaring proportioneel en noodzakelijk was. Er waren geen persoonlijke omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maakten.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit op grond van Europese jurisprudentie en concludeerde dat geen belemmeringen bestonden op grond van non-refoulement of het belang van het gezin. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.