Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
(Totstandkoming van) het bestreden besluit
Beoordeling door de rechtbank (aan de hand van de beroepsgronden)
shall not need confirmation” en “
het voordeel van de twijfel” en het eventuele verschil daartussen , heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat hij eerst beoordeelt of eiser objectieve documenten heeft die zijn asielmotieven ondersteunen. Als dergelijke documenten ontbreken, wordt vervolgens gekeken of de verklaringen van eiser zijn asielmotief alsnog geloofwaardig maken. In tegenstelling tot wat eiser stelt, wordt hem in beginsel dus niet tegengeworpen dat hij geen objectieve documenten heeft overgelegd. In plaats daarvan wordt aan de hand van de criteria in artikel 31, zesde lid, van de Vw beoordeeld of de verklaringen die hij niet met documenten kan onderbouwen, alsnog als geloofwaardig moeten worden beschouwd. Gezien de verwijzing van eiser naar het UNHCR-Handboek en het arrest van het EHRM in de zaak M.A. tegen Zwitserland, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder een te hoge bewijslast heeft gehanteerd door eiser, vanwege het ontbreken van ondersteunende bewijsstukken, niet het voordeel van de twijfel te gunnen. Dit blijkt hierna uit de inhoudelijke tegenwerpingen die verweerder heeft gemaakt in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling.
A late submission should not increase the standard of proof for the asylum applicant.”
Het gaat over gevoelens voor jongens. Als ik jongens zie heb ik de behoefte om iets met hen te doen. Ik heb meteen gevoelens voor een jongen als ik hem zie.” Over de manier waarop hij zich anders voelde verklaarde eiser dat hij nog heel jong was maar een vriend had waarmee hij dingen ging doen. Verder gaf eiser aan “
Als ik met een meisje blijf heb ik geen gevoelens voor haar, dit is totaal anders als ik met een jongen praat” (gehoor opvolgende aanvraag, blz. 5). Het had van eiser mogen worden verwacht dat hij op dit punt gedetailleerder verklaarde.
Als ik in een groep van jongens en meisjes ben, ben ik meer comfortabel met jongens dan vrouwen. Ik wil liever met jongens praten in plaats van vrouwen” (gehoor opvolgede aanvraag, blz. 10). Eiser heeft naar aanleiding van dit standpunt van verweerder een nadere reactie gegeven over zijn zelfacceptatie. Verweerder stelt echter terecht dat deze aanvulling de wisselende verklaringen niet opheldert. Dat eiser slechts zou hebben gezegd “ik wil liever met jongens praten” en niet dat hij liever met jongens over zijn – wat de rechtbank begrijpt – homoseksualiteit wil praten, heeft verweerder niet hoeven volgen. Het is overigens niet ondenkbaar dat zelfacceptatie geleidelijker en op grond van meer feiten en omstandigheden gaat dan nu is omschreven, maar dat heeft eiser niet verklaard.
Hij [heeft] vertelt [dat] [persoon A] op een vrouw leek. Ik [de gemachtigde; toevoeging rechtbank] vraag hem dit uit te leggen. [persoon A] had borsten en dikke billen, die schudden als hij liep.” En als voorbeeld waarom hij [persoon A] zo grappig vond: “
Eiser krijgt de slappe lach en vertelt dat hij dan bijvoorbeeld zei, kijk die persoon daarachter. Ik stond dan van mijn stoel op om te kijken en dan ging hij snel op mijn stoel zitten.” Daargelaten dat verweerder terecht heeft gesteld dat de verklaringen in het gehoorverslag de basis vormen voor de beoordeling van het asielrelaas, heeft verweerder ook van eiser terecht verwacht dat hij uitlegt waarom hij deze verklaringen niet eerder tijdens het gehoor heeft kunnen geven. Dat eiser in de veronderstelling was dat zijn verklaringen tijdens het gehoor voldoende waren, vormt geen afdoende verklaring.
goede seks met hem” heeft, wat volgens eiser ervoor zorgt dat zij beiden blij zijn, oppervlakkig is. Bovendien werd dit antwoord gegeven in de context van de vraag of eiser een voorbeeld kon geven van gesprekken waarover zij moesten lachen. Ook met de aanvulling van zijn verklaringen over [persoon C] slaagt eiser er niet in inzicht te geven in zijn persoonlijke gedachten en belevingen, evenals in de betekenis van [persoon C] voor hem, wat verweerder niet ten onrechte wel van hem verwacht.
Ik heb mij aangesloten bij zoveel organisaties, in Den Haag en in Rotterdam.” Ook vertelde eiser: “
Ik heb ook deelgenomen aan zoveel organisaties, ik ken niet veel namen, het is mijn familie. Ik ging altijd naar de organisaties in Amsterdam.” Verweerder stelt terecht dat niet valt in te zien waarom eiser de namen van deze organisaties en een generieke beschrijving van activiteiten niet zou kunnen benoemen als hij daadwerkelijk bij hen zou zijn aangesloten. Eiser hoeft inderdaad geen “
uitputtende lijst” te noemen, maar gezien zijn verklaringen en zijn vijfjarige verblijf in Nederland (of Europa), heeft verweerder terecht van hem mogen verwachten dat hij ten minste enkele namen van organisaties had kunnen noemen of had kunnen aangeven wat deze organisaties doen.
Ik word ook gezocht, want er zijn mensen waarmee ik heb gewerkt. Die mensen zitten nu in de gevangenis” (gehoor opvolgende aanvraag, blz. 12) betreft zoals verweerder terecht stelt een aanname van de zijde van eiser. Verder heeft verweerder terecht gesteld dat eiser vaag en summier verklaart over het politieonderzoek dat tegen hem zou lopen. Zo kan eiser de naam of identiteit van de persoon die naar zijn zeggen zou zijn vermoord niet noemen; hij heeft enkel gehoord dat iemand is vermoord. Verweerder heeft terecht gesteld dat het feit dat eiser nauwelijks informatie kan verstrekken, niet overtuigt van de gestelde gebeurtenis. Bovendien heeft eiser nog één jaar in Nigeria verbleven voordat hij naar Europa is vertrokken, na het moment dat hij erachter kwam te worden gezocht vanwege de door hem verrichte politieke werkzaamheden. Verweerder stelt terecht dat niet valt in te zien waarom eiser nog een jaar lang in Nigeria zou verblijven, in Igbanke of Agbor, als eiser daadwerkelijk problemen had waarvoor hij vreest te worden vervolgd. Dat anderen in dezelfde rol als eiser (posterplakkers voor de PDP ) zouden zijn gearresteerd, betekent niet automatisch dat eiser zelf ook (en nog altijd) wordt gezocht door de Nigeriaanse politie. De problemen als gevolg van de gestelde politieke activiteiten heeft verweerder daarom niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.