ECLI:NL:RBDHA:2025:20909
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige op grond van driejarenbeleid
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in Nederland op grond van arbeid als zelfstandige, waarbij hij zich beroept op het driejarenbeleid. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser een ander verblijfsdoel nastreeft dan bij zijn eerdere aanvraag en omdat het driejarenbeleid niet van toepassing is op een reeds afgeronde procedure.
De rechtbank stelt vast dat eiser eerder een verblijfsvergunning had als familie- of gezinslid, die in 2019 met terugwerkende kracht is ingetrokken. De intrekking is onherroepelijk bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2024. Eiser heeft sindsdien een nieuwe aanvraag ingediend met een ander verblijfsdoel, namelijk zelfstandige arbeid.
Volgens het driejarenbeleid moet er sprake zijn van een relevant tijdsverloop van drie jaar sinds de aanvraag, waarbij het oorspronkelijke verblijfsdoel nog steeds geldt en er geen onherroepelijke beslissing is genomen. Dit is hier niet het geval, omdat de eerdere procedure een intrekking betrof en het nieuwe verblijfsdoel verschilt. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid wordt ongegrond verklaard.