Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980artikel 41 aanvullend protocol bij besluit 1/80
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige op grond van driejarenbeleid
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in Nederland op grond van arbeid als zelfstandige, waarbij hij zich beroept op het driejarenbeleid. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser een ander verblijfsdoel nastreeft dan bij zijn eerdere aanvraag en omdat het driejarenbeleid niet van toepassing is op een reeds afgeronde procedure.
De rechtbank stelt vast dat eiser eerder een verblijfsvergunning had als familie- of gezinslid, die in 2019 met terugwerkende kracht is ingetrokken. De intrekking is onherroepelijk bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2024. Eiser heeft sindsdien een nieuwe aanvraag ingediend met een ander verblijfsdoel, namelijk zelfstandige arbeid.
Volgens het driejarenbeleid moet er sprake zijn van een relevant tijdsverloop van drie jaar sinds de aanvraag, waarbij het oorspronkelijke verblijfsdoel nog steeds geldt en er geen onherroepelijke beslissing is genomen. Dit is hier niet het geval, omdat de eerdere procedure een intrekking betrof en het nieuwe verblijfsdoel verschilt. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51527
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een reguliere verblijfsvergunning. Hij wil in Nederland aan het werk als zelfstandige en beroept zicht op het zogeheten ‘driejarenbeleid’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf in Nederland op grond van het associatieverdrag EEG-Turkije (Besluit 1/80). [1] Eiser beoogt verblijf op grond van arbeid als zelfstandige. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Voorgeschiedenis
3. Eiser heeft op 11 februari 2019 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gekregen onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A]’. De vergunning is verleend met ingangsdatum 8 februari 2019. Bij besluit van 17 december 2019 is deze vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht. Deze intrekking staat met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 april 2024 in rechte vast. [2]
Het bestreden besluit
4. Op 12 februari 2024 heeft eiser een aanvraag gedaan voor verblijf op grond van arbeid als zelfstandige. Eiser doet een beroep op het zogenaamde driejarenbeleid. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser aan zijn huidige aanvraag een ander verblijfsdoel te grondslag dan aan zijn vorige aanvraag en omdat eiser volgens de minister niet in de huidige aanvraagprocedure een beroep op het driejarenbeleid kan doen ten aanzien van een al afgeronde voorgaande procedure.
Komt eiser in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid?
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Eiser betoogt dat er, anders dan de minister stelt, wel degelijk sprake is van een relevant tijdsverloop van drie jaar sinds de intrekking van eisers verblijfsvergunning. Eiser heeft van 17 december 2019 tot en met de datum van de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024 in onzekerheid verkeerd over zijn verblijfsstatus. Eiser betoogt dat de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de intrekking moet worden gelijkgesteld met een nieuwe aanvraag tot verblijf, zodat sinds de intrekking van zijn verblijfsvergunning sprake is van relevant tijdsverloop. Verder heeft eiser naar eigen zeggen rechtmatig verblijf gehad op beleidsmatige gronden, nu hij na het intrekken van zijn verblijfsvergunning (procedureel) rechtmatig verblijf had tot aan de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024.
Juridisch kader
6. Het driejarenbeleid is al in 2003 afgeschaft. Bij uitspraken van 16 september 2010 en 1 november 2011 heeft de Afdeling geoordeeld dat het niet toepassen van het driejarenbeleid ten aanzien van Turkse onderdanen in strijd is met de standstillbepaling uit artikel 41 aanvullendPro protocol bij besluit 1/80. Daarom is het driejarenbeleid weer van toepassing op Turkse onderdanen die onder die standstillbepaling vallen. [3]
7. Het driejarenbeleid kent de volgende voorwaarden. [4]
Een vreemdeling verkrijgt in asielzaken een vergunning tot verblijf zonder beperking en in reguliere zaken een vergunning onder beperking op grond van het driejarenbeleid, indien aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:
1. Er zijn ten minste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog steeds van toepassing is; èn
2. de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het verblijfsdoel; èn
3. er is geen sprake van contra-indicaties.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. Niet in geding is dat het driejarenbeleid van toepassing is omdat eiser onder de standstillbepaling valt.
9. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit het driejarenbeleid volgt dat een aanvraag vanwege relevant tijdsverloop van drie jaren als bedoeld in het driejarenbeleid slechts kan worden gehonoreerd als de vreemdeling nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag heeft ontvangen en het beoogde verblijfsdoel zich nog steeds voordoet. De procedure die in 2019 is gestart zag echter niet op een aanvraag maar op de intrekking van een verleende verblijfsvergunning omdat het oorspronkelijke verblijfsdoel zich niet meer voordeed. Bovendien is in die procedure een onherroepelijke beslissing gevallen. Dat eiser gedurende die procedure (procedureel) rechtmatig verblijf heeft gehad, maakt dat niet anders.
9.1.
Eiser heeft nu een aanvraag ingediend met als beoogd verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’. Dit is niet hetzelfde beoogde verblijfsdoel als in eisers vorige procedure, het verblijfsdoel was toen ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A]’. De huidige procedure duurt ook nog geen drie jaren, zodat in deze procedure geen sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop. Hierom kan het beroep niet slagen. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van het driejarenbeleid. De overige gronden van eiser behoeven daarom geen nadere bespreking.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (: Besluit 1/80