Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:20942

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL24.47568
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 VWEUartikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Chavez-verblijfsrecht wegens ontbreken daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsrecht op grond van het Chavez-arrest, omdat hij zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit hebben. De minister heeft deze aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende bewijs voor daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken en een afhankelijkheidsrelatie. Eiser stelde dat hij wel degelijk dagelijkse zorgtaken verricht en dat de minister niet alle bewijsstukken correct heeft betrokken.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verricht of dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat. Bewijsstukken zoals foto’s, geldovermakingen en een medische verklaring zijn onvoldoende. Ook is niet gebleken dat eiser duurzaam met zijn kinderen heeft samengewoond. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de minister de belangen van eiser en zijn kinderen juist heeft afgewogen, waarbij het algemene belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt.

De rechtbank volgt niet het betoog dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden of dat de minister niet alle stukken heeft betrokken. Ook is geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een Chavez-verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47568

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser geen verblijfsaanspraken kan ontlenen aan het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017 (Chavez-verblijfsrecht). [1] Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister de belangen van eiser en zijn kinderen niet juist heeft geïnventariseerd of afgewogen in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Chavez-verblijfsrecht bij zijn minderjarige kinderen [naam kind 1], [naam kind 2] en [naam kind 3]. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 30 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Volgens de minister is niet gebleken van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken van eiser ten aanzien van zijn kinderen. Volgens de minister zijn de door eiser overgelegde documenten en foto’s daarvoor niet voldoende. Ook is volgens de minister niet gebleken dat eiser een afhankelijkheidsrelatie heeft met zijn kinderen. De minister wijst er in dit verband op dat eiser nog geruime tijd in Turkije is blijven wonen nadat zijn partner en kinderen naar Nederland vertrokken en dat eiser – nadat hij Nederland is ingereisd – geruime tijd niet op hetzelfde adres als zijn partner en kinderen ingeschreven heeft gestaan. Inmiddels is hij ook weer uitgeschreven en is geen sprake meer van samenwoning. De minister heeft verder ambtshalve getoetst of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Dat is niet het geval. Volgens de minister is weliswaar sprake van gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarige kinderen maar weegt het belang van eiser om dit gezinsleven in Nederland uit te oefenen niet op tegen het algemene (economische) belang van de Nederlandse staat. Aan eiser wordt daarom geen verblijfsrecht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM toegekend.
Had de minister aan eiser een Chavez-verblijfsrecht moeten toekennen?
4. Eiser betoogt dat de minister eiser een Chavez-verblijfsrecht niet had mogen ontzeggen. Eiser betoogt dat de door hem overgelegde bewijsstukken wel degelijk aannemelijk maken dat eiser zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er tussen hem en zijn kinderen een zodanige band bestaat dat zijn kinderen eiser zouden moeten volgen als hij Nederland zou moeten verlaten. Eiser betoogt daartoe dat de door hem overgelegde bewijsstukken niet zijn betrokken in de beoordeling. Hij wijst erop dat hij vrije tijd doorbrengt met zijn kinderen, kookt en dat hij de kinderen naar bed brengt. Ook brengt en haalt hij zijn kinderen naar en van school. Dat de directeur van de school heeft aangegeven eiser maar een enkele keer op school te hebben gezien maakt dat naar zijn mening niet anders. De directeur staat niet voor de klas. De minister had volgens eiser navraag moeten doen bij de leraren van zijn kinderen. Eiser voert naar eigen zeggen de dagelijkse zorgtaken uit die een vader hoort uit te voeren. Mede omdat eiser naar eigen zeggen deze zorg- en opvoedingstaken uitvoert zal het vertrek van eiser naar eigen zeggen onevenredig bezwarend zijn voor zijn kinderen. Verder betekent de omstandigheid dat eiser niet altijd samen met zijn kinderen in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) heeft ingeschreven gestaan niet dat eiser niet bij zijn kinderen verbleef. Hij betoogt dat hij feitelijk wel bij zijn kinderen verbleef. Eiser is met een visum Nederland binnen gereisd en had naar eigen zeggen ook geen andere plek om te verblijven. Volgens eiser had de minister daarom door de vreemdelingenpolitie een adresonderzoek moeten laten doen. De omstandigheid dat eiser niet stond ingeschreven is volgens hem niet voldoende om aan te nemen dat eiser niet met zijn kinderen heeft samengewoond in Nederland. Eiser heeft bovendien aan de minister gevraagd om eventuele vragen schriftelijk voor te leggen, hetgeen de minister niet heeft gedaan.
Het juridisch kader
5. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om aan de onderdaan een verblijfsrecht te verlenen, deze Unieburger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten worden ontzegd. [2]
5.1.
Eén zo'n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister hiervoor in overeenstemming met artikel 20 van Pro het VWEU [3] en het arrest Chavez-Vilchez [4] vereist dat dat familielid meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht voor dat kind. Als dat familielid slechts zorg- en opvoedtaken met een marginaal karakter verricht, of alleen omgang heeft met dat kind, dan bestaat geen daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding en loopt dat kind door weigering van verblijf aan dat familielid niet het risico feitelijk te worden gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten. [5]
5.2.
De minister verleent een Chavez-verblijfsrecht aan de uit een derde land afkomstige vreemdeling als deze:
a. zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;
b. een minderjarig, Nederlands kind heeft;
c. daadwerkelijk voor het kind zorgt; en
d. er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelander ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
5.3.
De minister verstaat onder zorgtaken ook opvoedingstaken. Verder merkt de minister zorgtaken in elk geval aan als daadwerkelijke zorgtaken als deze op dagbasis terugkeren. De minister merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de derdelander ouder niet is aan te rekenen. Dit wordt de derdelander ouder niet aangerekend als aangetoond wordt dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert, terwijl eerder wel sprake was van het verrichten van daadwerkelijke zorgtaken door de vreemdeling. Onder zorgtaken wordt niet verstaan enkel omgang of contact met het minderjarige Nederlandse kind. [6]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn kinderen of dat tussen hem en zijn kinderen een afhankelijkheidsrelatie bestaat. Eiser heeft geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser in Nederland zorg- en opvoedingstaken verricht. Schermafbeeldingen van drie geldovermakingen naar de partner is daarvoor niet voldoende. Dat geldt ook voor de grote hoeveelheid foto’s die is overgelegd, nu daaruit niet kan blijken dat eiser structureel betrokken is geweest in het leven van de kinderen en daadwerkelijk zorg- en opvoedtaken heeft uitgeoefend. De medische verklaring van huisarts [persoon A] is evenmin voldoende. Daaruit blijkt slechts dat hij [naam kind 3] gedurende een periode van enige weken heeft begeleid tijdens bezoeken aan de huisarts. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser slechts gedurende een periode van ongeveer een jaar op hetzelfde adres als partner en kinderen ingeschreven heeft gestaan.
6.1.
Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er een afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn kinderen bestaat. Niet is gebleken dat eiser in Turkije ooit met zijn (destijds twee) kinderen heeft samengewoond. Uit het uittreksel uit het bevolkingsregister blijkt dit niet, nu daarop geen adresgegevens staan vermeld. Uit de twee foto’s uit Turkije die eiser heeft opgestuurd blijkt ook geen lijn van ontwikkeling van of een afhankelijkheidsrelatie. Eiser heeft verder geen gegevens overgelegd waaruit bijvoorbeeld blijkt dat hij contact had met zijn kinderen toen hij in Turkije zat maar zijn kinderen en partner in Nederland. Verder heeft eiser geen documenten of gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij en zijn partner afspraken hebben gemaakt over de omgang met de kinderen. Eiser heeft weliswaar aangegeven dat sprake is van een omgangsregeling, maar heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van die stelling. De minister wijst er terecht op dat uit de vele foto’s die eiser heeft overgelegd van hem en zijn kinderen weliswaar blijkt dat hij omgang met ze heeft, maar niet dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie.
6.2.
De rechtbank volgt niet de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025. [7] Eiser heeft gezien voorgaande niet voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een weerlegbaar vermoeden van een afhankelijkheidsverhouding. Zo is niet gebleken dat er sprake is geweest van een duurzame samenwoning en is niet gebleken dat eiser samen met zijn (ex) partner het gezag over zijn kinderen had en dat de wettelijke, financiële en/of affectieve lasten van het kinderen (mede) op eiser rustten.
6.3.
De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar zijn woonsituatie of naar de situatie op school. Het is immers aan eiser om zijn aanvraag te onderbouwen en aannemelijk te maken dat hij bij zijn gezin heeft gewoond en dat hij zijn kinderen iedere dag naar school brengt.
6.4.
De minister heeft telefonisch en per brief contact gehad met eiser en hem erop gewezen welke bewijsstukken de minister graag zou ontvangen. Dit blijkt ook uit het digitaal dossier. [8] Daarop heeft eiser echter niet gereageerd. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiser dat de minister hem niet schriftelijk de mogelijkheid heeft geboden om vragen te beantwoorden. De rechtbank volgt verder niet het betoog van eiser dat de minister een hoorzitting had kunnen inplannen, nu onweersproken is dat eiser op 8 november 2024 telefonisch zelf van een hoorzitting heeft afgezien.
6.5.
De rechtbank volgt eveneens niet het betoog van eiser dat de minister niet alle door eiser overgelegde stukken bij de beoordeling heeft betrokken. Uit het besteden besluit blijkt dat de minister alle door eiser overgelegde stukken heeft benoemd en op grond daarvan zijn standpunt heeft ingenomen. Eiser heeft niet concreet gemaakt welke stukken dan door de minister zouden zijn gemist.
Komt eiser in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
7. Eiser betoogt dat bij de belangenafweging in het bestreden besluit ten onrechte niet is vermeld welke omstandigheden in eisers voordeel werken. Verder betoogt eiser dat hij hier een leven heeft opgebouwd met sociale contacten en dat zijn partner hier woont en werkt, zodat niet van hem mag worden verwacht dat hij terug moet naar Turkije. Ter zitting heeft eiser betoogd dat het belang van de kinderen van eiser onvoldoende bij de belangenafweging is betrokken, en dat teveel is gedacht vanuit het belang van eiser zelf.
8. Het betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister juist heeft geïnventariseerd en ook alle door eiser zelf opgevoerde belangen bij de beoordeling heeft betrokken. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de belangenafweging voldoende heeft gemotiveerd. Zo heeft de minister bijvoorbeeld afgewogen welke banden eiser met Nederland heeft en heeft daarbij waarde toegekend aan de omstandigheid dat eisers kinderen hier verblijven. Daarbij heeft de minister ook waarde gehecht aan het belang van de kinderen van eiser. De minister heeft in het bestreden besluit expliciet benoemd met welke belangen hij in dat kader rekening heeft gehouden. De minister heeft ter zitting nogmaals toegelicht dat de belangen van de kinderen van eiser niet zwaar genoeg wegen om de belangenafweging in het voordeel van eiser te doen uitvallen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet gebleken van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek in de belangenafweging.
8.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het familieleven ook in Turkije kan worden uitgeoefend. Hoewel vaststaat dat de moeder van de kinderen de Nederlandse nationaliteit heeft, is daarmee niet zonder meer gegeven dat van haar niet kan worden verwacht dat zij met de kinderen en eiser terugkeert naar Turkije. Zoals uit de verklaringen van eiser ter zitting blijkt, is de moeder van de kinderen van eiser ooit met eiser naar Turkije vertrokken, maar is zij teruggekeerd omdat zij in Turkije niet kon aarden. Dat de moeder van eisers kinderen niet kon aarden, is geen objectieve belemmering.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2017:354 (Chaves Vilchez).
2.Zie punt 63 van het arrest Chavez-Vilchez, en de daar aangehaalde rechtspraak.
3.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
4.Voetnoot 1.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS 16 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:790.
6.Dit staat in paragraaf B10/2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344.
8.Emailbericht van de minister van 8 november 2024 aan de gemachtigde van eiser.