ECLI:NL:RVS:2025:3344
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Verblijfsrecht afgeleid van minderjarig Unieburger-kind bij niet-ouderlijke partner afgewezen
Betrokkene, een Surinaamse onderdaan, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, afgeleid van het minderjarige kind van zijn partner, een Nederlandse Unieburger. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen omdat betrokkene niet aannemelijk maakte meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken te verrichten en geen afhankelijkheidsverhouding bestond.
De rechtbank oordeelde dat de minister een onjuist beoordelingskader hanteerde door niet uit te gaan van een weerlegbaar vermoeden van afhankelijkheid bij duurzame samenwoning. De minister ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat het arrest XU en QP een weerlegbaar vermoeden van afhankelijkheid schept bij duurzame samenwoning van een minderjarige Unieburger met zijn ouder die derdelander is, mits die ouder gezag en zorg draagt. Omdat betrokkene geen biologische of juridische ouder is, geen gezag heeft en geen wettelijke verplichtingen draagt, kan samenwoning niet leiden tot een vermoeden van afhankelijkheid.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het verzoek om afgeleid verblijfsrecht wordt afgewezen.