ECLI:NL:RBDHA:2025:21020

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL25.15484
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep asielaanvraag

Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de minister binnen een 8+8-wekenmodel een besluit moest nemen, met een dwangsom bij overschrijding. De minister nam uiteindelijk op 24 juni 2025 alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk.

De rechtbank overwoog dat het alsnog nemen van een besluit niet automatisch recht geeft op proceskostenvergoeding. Voor een proceskostenveroordeling moet het beroep ontvankelijk zijn, wat inhoudt dat de maximale beslistermijn van zestien weken na de eerdere uitspraak moet zijn verstreken. Op het moment van het indienen van het beroep was deze termijn nog niet verstreken, waardoor het beroep te vroeg was en niet-ontvankelijk.

Daarom bestaat geen recht op vergoeding van proceskosten en wijst de rechtbank het verzoek af. De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15484

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de minister van Asiel en Migratie. [1]

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het volgens hem niet tijdig nemen van een besluit door de minister. Hij heeft het beroep ingetrokken, omdat de minister op 24 juni 2025 alsnog een besluit op zijn asielaanvraag heeft genomen.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank op 11 juli 2025 meegedeeld zich te verzetten tegen het verzoek om een veroordeling in de proceskosten, omdat de rechterlijke dwangsomperiode nog niet was verstreken ten tijde van het indienen van het beroep. Het beroep van verzoeker was volgens de minister daarom niet-ontvankelijk.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan het beroep van betrokkene is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener van het beroepschrift dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [3]
Heeft verzoeker recht op vergoeding van zijn proceskosten?
4. De rechtbank overweegt als volgt. Met het alsnog nemen van een besluit is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen. Dat is echter niet voldoende voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor moet ook zijn voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. [4] Als niet is voldaan aan deze voorwaarden, bestaat geen recht op een vergoeding van de proceskosten. [5]
4.1.
Verzoeker heeft, gelet op de loopbrief, op 8 augustus 2023 een asielaanvraag gedaan. Hij heeft vervolgens op 12 december 2024 beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingediend. Met de uitspraak van 4 februari 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats [6] het beroep van verzoeker gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak met de algemene asielprocedure aan te vangen en binnen acht weken na die aanvang een besluit op de aanvraag bekend te maken (8+8-wekenmodel). Ook heeft de rechtbank bepaald dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000. De minister heeft niet binnen de voornoemde termijnen een besluit op de asielaanvraag van verzoeker bekend gemaakt.
4.2.
Verzoeker heeft op 2 april 2025 een vervolgberoep ingesteld, omdat de minister niet binnen acht weken na de uitspraak van 4 februari 2025 aanvang heeft gemaakt met de algemene asielprocedure. Het 8+8-wekenmodel kent de minister een maximale nadere beslistermijn van maximaal zestien weken na de uitspraak toe. Dat die termijn van zestien weken is opgedeeld in twee termijnen van acht weken en dat de minister gehouden is om binnen acht weken na de uitspraak een aanvang te maken met de algemene asielprocedure maakt dat niet anders. [7] De overschrijding van de eerste achtwekentermijn betekent dus niet dat verzoeker al eerder dan de in de uitspraak toegekende maximale beslistermijn van zestien weken opnieuw tegen het niet tijdig nemen van een besluit kon opkomen.
4.3.
Het voorgaande betekent dat de nadere termijn van zestien weken van de uitspraak van 4 februari 2025 op het moment van de indiening van het beroep niet tijdig nog niet was verstreken en het beroep dus te vroeg is ingediend.

Conclusie en gevolgen

5. Omdat geen sprake was van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.ABRvS 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2023:273, onder 3.2 en 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753, onder 3.2.
5.Zie ABRvS 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:273.
6.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 4 februari 2025, zaaknummer NL24.49741 (niet gepubliceerd).