Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21025

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL25.22949
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst

Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres het doel van het verblijf en voldoende middelen van bestaan niet aannemelijk maakte, en er redelijke twijfel bestond over haar terugkeer naar Marokko vanwege geringe sociale en economische binding.

Eiseres stelde dat zij het beroep tijdig had ingediend en dat zij wel degelijk sociale en economische binding met Marokko heeft, onder meer door het bezit van een woning en familiebanden. De rechtbank oordeelde dat het beroep te laat was ingediend, maar dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege bijzondere omstandigheden, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard.

De rechtbank toetste vervolgens de inhoudelijke gronden en concludeerde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij voldoende binding met Marokko heeft. Zij is werkloos en heeft geen substantieel inkomen aangetoond. Het vermeende onroerend goed werd niet onderbouwd met stukken. Ook sociale binding werd niet voldoende bewezen, aangezien zij gehuwd is met een in Nederland verblijvende referent en geen zorgverplichtingen of maatschappelijke verplichtingen in Marokko kon aantonen.

De rechtbank vond dat verweerder terecht twijfelde aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren en dat het horen in bezwaar niet verplicht was omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende binding met het land van herkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22949

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Leenders),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [naam] (referent), de gemachtigde van eiseres en H. Ibriolfaqir als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 27 mei 2024 heeft eiseres verweerder verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om haar echtgenoot (referent) in Nederland te bezoeken.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Ook heeft eiseres niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Daarnaast bestaat er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat eiseres een geringe sociale en economische binding heeft met Marokko.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Eiseres is van mening dat het beroepschrift tijdig is ingediend, nu de referent kort na het daadwerkelijk kennisnemen van het bestreden besluit gemachtigde heeft verzocht om beroep in te stellen. Het bestreden besluit is door verweerder verzonden naar het adres van eiseres in Marokko. Vanwege de verzending naar het buitenland en de bijbehorende postlooptijd heeft eiseres de beschikking later dan 17 april 2025 ontvangen. Verder is eiseres – in tegenstelling tot verweerder – van mening dat zij sociale binding heeft met Marokko, nu zij daar haar gehele leven heeft gewoond en haar broers en zussen daar wonen. Ook stelt eiseres in beroep dat zij een woning bezit in Marokko, en dat het bezit van onroerend goed aantoont dat er sprake is van economische binding. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Ten slotte heeft verweerder eiseres ten onrechte niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Is het beroep ontvankelijk?
6. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van vier weken. [1] Deze termijn begint te lopen na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit op 17 april 2025 aan eiseres is toegezonden. Eiseres kon dus tot 16 mei 2025 een beroepschrift indienen. Niet in geschil is dat eiseres pas op 20 mei 2025 beroep heeft ingediend tegen het bestreden besluit. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.
6.2.
De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of het niet tijdig indienen van het beroepschrift door eiseres verschoonbaar is. [4] Zover blijkt uit dossier, is het bestreden besluit alleen naar eiseres in het buitenland verzonden – en niet naar diens gemachtigde of naar referent. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet verwijtbaar is of dat het eiseres maar gering te verwijten valt. Het niet tijdig indienen van het beroepschrift kan dus niet aan eiseres worden toegerekend. De rechtbank overweegt verder dat het slechts een termijnoverschrijding van enkele dagen betreft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres in verzuim is geweest. Het beroep is ontvankelijk.
Sociale en economische binding met het land van herkomst
7. De rechtbank stelt voorop dat het aan de aanvrager van een visum is om zijn verblijfsdoel en zijn tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie beschikt verweerder over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode van toepassing is. [5] De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
7.1.
Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Marokko dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
8. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van zodanige economische binding dat tijdige terugkeer naar Marokko redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Zo heeft eiseres aangegeven dat zij werkloos is. Verder heeft zij niet met stukken aangetoond dat zij anderszins over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt. Daarnaast stelt eiseres voor het eerst in de beroepsprocedure onroerend goed te hebben in Marokko, maar heeft zij dit niet onderbouwd met documenten. Dit standpunt kan dan ook niet bijdragen aan de gestelde economische binding met Marokko.
9. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende sociale binding heeft met Marokko. Zo is eiseres gehuwd met de referent die in Nederland verblijft. Verder is niet gebleken dat eiseres zorg heeft voor anderen in Marokko verblijvende familieleden of in staat is om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen om tijdig naar het land van herkomst terug te keren. Hoewel het begrijpelijk is dat referent eiseres graag naar Nederland wil laten komen, maakt dit het voorgaande niet anders.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om Nederland te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
11. Nu de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van het visum zelfstandig kan dragen, behoeven de andere weigeringsgronden geen bespreking.
Horen in bezwaar
12. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres niet heeft hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [6] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Van belang is dat uit de door eiseres in bezwaar overgelegde stukken geen twijfel ontstaat. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Met inachtneming van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
5.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.
6.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.