ECLI:NL:RBDHA:2025:21025
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres het doel van het verblijf en voldoende middelen van bestaan niet aannemelijk maakte, en er redelijke twijfel bestond over haar terugkeer naar Marokko vanwege geringe sociale en economische binding.
Eiseres stelde dat zij het beroep tijdig had ingediend en dat zij wel degelijk sociale en economische binding met Marokko heeft, onder meer door het bezit van een woning en familiebanden. De rechtbank oordeelde dat het beroep te laat was ingediend, maar dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege bijzondere omstandigheden, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank toetste vervolgens de inhoudelijke gronden en concludeerde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij voldoende binding met Marokko heeft. Zij is werkloos en heeft geen substantieel inkomen aangetoond. Het vermeende onroerend goed werd niet onderbouwd met stukken. Ook sociale binding werd niet voldoende bewezen, aangezien zij gehuwd is met een in Nederland verblijvende referent en geen zorgverplichtingen of maatschappelijke verplichtingen in Marokko kon aantonen.
De rechtbank vond dat verweerder terecht twijfelde aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren en dat het horen in bezwaar niet verplicht was omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende binding met het land van herkomst.