ECLI:NL:RBDHA:2025:21107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
NL25.44333 en NL25.44343
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse eiser op basis van geloofwaardigheid IPOB-lidmaatschap

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een Nigeriaanse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser heeft op 2 september 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke op 14 september 2025 door verweerder als kennelijk ongegrond is afgewezen. De rechtbank behandelt zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 oktober 2025. Eiser stelt dat hij vreest voor vervolging in Nigeria vanwege zijn homoseksuele geaardheid, problemen met een buurman en zijn lidmaatschap van de Indigenous People of Biafra (IPOB). De rechtbank oordeelt dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen, omdat de verklaringen van eiser niet geloofwaardig zijn en onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten. De rechtbank wijst erop dat eiser zijn aanvraag niet tijdig heeft ingediend en dat zijn verklaringen inconsistent zijn. De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44333 en NL25.44343
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 2 september 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1966. Hij heeft op 9 mei 2015 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn eerdere aanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor wat hem staat te wachten bij terugkeer naar Nigeria wegens zijn homoseksuele geaardheid en relatie, de problemen met een buurman in verband met een verbouwing, vanwege zijn afkomst en geloof, vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten en vanwege zijn lange verblijf in het buitenland. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 9 december 2015 afgewezen als kennelijk ongegrond. [2] Daarbij heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd. Bij uitspraak van 28 december 2015 heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard. [3]
3. Aan zijn opvolgende asielaanvraag heeft eiser nogmaals ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer vreest dat zijn buurman en zijn medestanders hem wil doden vanwege de problemen in verband met een verbouwing. Het geheime genootschap EKPE is betrokken bij dit conflict. Verder vreest eiser wegens zijn lidmaatschap van de Indigenous People of Biafra (IPOB, een organisatie die streeft naar onafhankelijkheid van Biafra) sinds 2017.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1) identiteit, nationaliteit en herkomst, 2) problemen met het geheime genootschap EKPE vanwege de problemen met zijn buurman en 3) het IPOB-lidmaatschap.
4.1.
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen van eiser met het geheime genootschap EKPE vanwege de problemen met zijn buurman vindt verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die de problemen volledig onderbouwen, waardoor verweerder verder beoordeeld heeft of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens verweerder is dit niet het geval. De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend zonder goede verklaring en kan hij op grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Het IPOB-lidmaatschap en de daaruit volgende problemen vindt verweerder ook ongeloofwaardig. Eiser heeft zonder goede verklaring onvoldoende documenten gegeven om zijn lidmaatschap te onderbouwen. Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend zonder goede verklaring en kan hij op grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.
4.2.
Op grond van de geloofwaardige motieven kan eiser volgens verweerder niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Ook zijn deze motieven onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. [4] Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen, omdat zijn aanvraag een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is verklaard en omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Daarbij heeft verweerder het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod gehandhaafd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Nu de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond [5] , prejudiciële vragen heeft gesteld over de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder, had verweerder de zaak uit zorgvuldigheid moeten aanhouden. Verder heeft verweerder ten aanzien van het IPOB-lidmaatschap te veel nadruk gelegd op bewijs dat eiser, gelet op de context van de organisatie en het repressief optreden tegen aanhangers van de organisatie, niet kan verkrijgen. Verweerder had de beschikbare aanwijzingen in samenhang met de landeninformatie moeten meewegen.
Ook heeft verweerder eisers verklaringen over zijn lidmaatschap niet in samenhang met de landeninformatie beoordeeld en niet gemotiveerd waarom zijn verklaringen niet aannemelijk zijn. Eiser verwijst daarbij naar het Algemeen Ambtsbericht Nigeria uit 2023. Eiser stelt zich verder op het standpunt hij op basis van zijn lidmaatschap van IPOB, zijn activiteiten in Nederland en op basis van de perceptie van verbondenheid met IPOB gevaar loopt in Nigeria. Ter zitting heeft eiser aan de gronden van zijn beroep toegevoegd dat verweerder de samenwerkingsverplichting heeft geschonden door het verzoek van eiser, die in vreemdelingenbewaring zit, om twee uur lang toegang tot zijn telefoon en internet om zijn gemachtigde van documenten te kunnen voorzien, af te wijzen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank oordeelt dat verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Aanhouding
7. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 6 maart 2025 uitspraak gedaan over de nieuwe werkwijze van verweerder voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. [6] Uit deze uitspraak volgt dat de nieuwe werkwijze geen verhoogde bewijsmaatstaf bevat die in strijd is met het Unierecht. Wel moet verweerder alle omstandigheden in een specifiek geval altijd in samenhang beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw [7] kunnen dus niet als strikte checklist worden getoetst door verweerder. De rechtbank ziet, gelet op voornoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, geen aanleiding te wachten op de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie van de gestelde prejudiciële vragen.
Geloofwaardigheid asielmotieven
8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in deze zaak deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij het IPOB-lidmaatschap van eiser ongeloofwaardig vindt.
9. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn lidmaatschap te onderbouwen en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Verweerder kan de door eiser overgelegde kopie van zijn lidmaatschapskaart van IPOB en de door eiser overgelegde foto van zijn deelname aan een demonstratie niet verifiëren. Ten aanzien van de foto heeft verweerder ook kunnen tegenwerpen dat de lichtval en hoek waarop eiser zou staan niet overeenkomt met de rest van de foto, waardoor de foto er bewerkt uit ziet.
9.1.
Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder niet heeft voldaan aan de samenwerkingsverplichting, omdat eiser in bewaring geen toegang heeft tot zijn telefoon en zijn verzoek om twee uur lang toegang tot zijn telefoon en internet is afgewezen, waardoor hij geen bewijsstukken kan overleggen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser is in bewaring in de macht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en volgens de rechtbank had het daarom op de weg van verweerder gelegen om eiser te ondersteunen bij het verkrijgen en inleveren van relevante stukken. Eiser heeft echter pas op 25 september, ruime tijd na zijn aanvraag op 2 september, het voornemen van 11 september en het bestreden besluit van 14 september verzocht om twee uur lang toegang tot zijn telefoon en internet. Verweerder heeft naar aanleiding van dit verzoek laten weten mee te willen kijken naar de mogelijkheden maar geen twee uur internet te kunnen faciliteren. Ook heeft verweerder eiser gevraagd te verduidelijken welke handelingen hij op zijn telefoon wil verrichten. Daarop heeft eiser laten weten dat het verweerder niet aangaat wat hij precies wil doen en dat verweerder genoegen moet nemen met de mededeling dat het voor eiser noodzakelijk is voor zijn asielprocedure. Nu eiser in het verzoek en op zitting niet heeft geconcretiseerd voor welke bewijsstukken hij twee uur lang toegang tot zijn telefoon en tot internet zou moeten hebben, kan naar het oordeel de conclusie van eiser dat verweerder zijn samenwerkingsverplichting heeft geschonden door eisers verzoek af te wijzen, niet zonder meer worden gevolgd. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
10. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, omdat eiser onduidelijk verklaart over hoe hij geregistreerd staat als IPOB-lid en omdat uit sociale media niet blijkt dat eiser actief is als lid. Ten aanzien van de registratie als IPOB-lid, heeft eiser in de huidige aanvraag verklaard sinds 2017 lid te zijn van de IPOB, terwijl in de zienswijze uit 2015 bij de eerdere aanvraag al werd aangedragen dat eiser lid was van de IPOB. Dit is tegenstrijdig. Verder verklaart eiser op een ledenlijst op een website van de IPOB te staan, maar wanneer de gehoormedewerker doorvraagt verklaart eiser dat hij denkt hier niet op te staan, maar wel in een database geregistreerd te staan als lid. Eiser kan echter niet duidelijk verklaren hoe de overheid hierachter zou komen en verklaart niet te weten of hij bekend is bij de overheid. Ten aanzien van eisers sociale media, heeft verweerder het ongerijmd mogen vinden dat eiser verklaart de doelen van de IPOB te promoten, maar dat er vervolgens op de sociale media van eiser geen enkele sporen hiervan te vinden zijn. De enkele foto die eiser heeft overgelegd heeft verweerder, zoals hierboven reeds overwogen, bewerkt uitziend en onvoldoende mogen vinden.
11. Verder heeft verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daar geen goede verklaring voor heeft. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser sinds de afwijzende beschikking in 2015 niet opnieuw asiel heeft aangevraagd.
12. Ook heeft verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen dat de verklaringen van eiser in grote lijnen niet geloofwaardig zijn, omdat eiser in 2019 met onbekende bestemming is betrokken en zonder rechtmatig verblijf in Europa heeft verbleven.

Conclusie en gevolgen

13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, g en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31 Vw jo. artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, Vw.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Uitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136.
7.Vreemdelingenwet 2000.