ECLI:NL:RBDHA:2025:21146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
NL24.46833
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 6.1 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugkeerbesluit en inreisverbod terecht opgelegd ondanks lopende asielprocedure

Eiseres, van Jamaicaanse nationaliteit, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie, omdat zij niet langer rechtmatig in Nederland verbleef en er een risico bestond dat zij zich aan het toezicht zou onttrekken.

De rechtbank oordeelde dat het onthouden van een vertrektermijn gerechtvaardigd was, omdat eiseres Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en gebruik had gemaakt van valse documenten. Deze feiten vormden voldoende grondslag voor het aannemen van een onttrekkingsrisico, ook al had eiseres een lopende asielprocedure en een vaste verblijfplaats.

Ten aanzien van het inreisverbod stelde de rechtbank vast dat de minister niet verplicht was hiervan af te zien vanwege de relatie van eiseres met een Nederlandse partner. De rechtbank volgde de vaste rechtspraak dat een relatie tijdens illegaal verblijf niet snel leidt tot het afzien van een inreisverbod.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.46833
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. Bij besluit van 28 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.1
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Eiseres is vanwege betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep1 op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Pomper. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres is van Jamaicaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1989.
3. De minister heeft het terugkeerbesluit genomen omdat is gebleken dat eiseres niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens de minister bestaat er verder een risico dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Om die reden is eiseres een
1. NL24.46834.
vertrektermijn onthouden en bepaald dat eiseres het grondgebied van Nederland alsmede het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk dient te verlaten.
3.1.
De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- 3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3.2.
Verder heeft de minister aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Verwijzing naar (bestuurlijke) voorfase
4. De rechtbank stelt vast, voor het bespreken van de specifieke gronden van beroep, dat eiseres in het beroepsschrift (deels) heeft verwezen naar hetgeen zij in de voorfase heeft aangevoerd, met het verzoek dat als geheel herhaald en ingelast te beschouwen. Omdat de minister hierop in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan en omdat in beroep verder niet is aangegeven in hoeverre de motivering van de minister in het bestreden besluit tekortschiet, is de rechtbank van oordeel dat deze algemene beroepsgrond niet kan worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit. Deze algemene beroepsgrond kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Onthouden vertrektermijn
5. Eiseres voert aan dat haar een termijn voor vrijwillig vertrek had moeten worden verleend, omdat er geen risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft zijn standpunt dat er wel een onttrekkingsrisico bestaat onvoldoende gemotiveerd.
5.1.
Ten aanzien van de zware gronden die de minister aan het onthouden van een vertrektermijn ten grondslag heeft gelegd, voert eiseres aan dat zij Nederland weliswaar niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, maar dat hieruit geen risico op onttrekking kan worden afgeleid. Zij is Europa namelijk ingereisd met een geldig visum en zij heeft slechts gedurende een korte periode illegaal verblijf in Nederland gehad. Eiseres heeft zich verder spoedig na aankomst in Nederland gemeld bij de gemeente. Door zich bij de gemeente te melden heeft eiseres er geen blijk van gegeven dat zij in Nederland in de illegaliteit wilde verblijven. De minister werpt ook ten onrechte tegen dat eiseres na afloop van haar visum Europa had moeten verlaten, omdat de zware grond enkel ziet op het verlaten van Nederland.
5.2.
Ten aanzien van de lichte gronden die de minister aan het onthouden van een vertrektermijn ten grondslag heeft gelegd, voert eiseres aan dat de minister hierover aannames heeft gedaan en eiseres hierover niet is gehoord. Eiseres heeft een asielaanvraag ingediend en kan verblijven bij haar partner waardoor zij beschikt over een vaste woon- en verblijfplaats. Of eiseres kan beschikken over voldoende middelen van bestaan is door de minister onjuist beoordeeld omdat eiseres ten tijde van deze beoordeling gedetineerd was en zij, via haar verloofde, toegang heeft tot voldoende middelen van bestaan. Tot slot betwist eiseres dat haar strafrechtelijke veroordeling een onttrekkingsrisico inhoudt. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat het persoonlijk gedrag van eiseres een risico op schendingen van de lichamelijke integriteit oplevert.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 62, tweede lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) mag een vertrektermijn worden onthouden indien er sprake is van een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Dit risico mag op grond van artikel 6.1 van het Vb worden aangenomen indien er tenminste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb van toepassing zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), blijkt dat voor het opleggen van - onder meer - de zware gronden 3a, 3c en 3g enkel is vereist dat die gronden feitelijk juist zijn. Als twee van deze gronden feitelijk juist zijn, is het risico dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken gegeven en hoeft de minister daarop geen nadere toelichting meer te geven.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres, ook tijdens de zitting, niet heeft betwist dat zij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse documenten. Alleen al uit de feitelijke juistheid van deze twee (zware) gronden, blijkt voldoende dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiseres Europa is ingereisd met een geldig visum, dat zij vindt dat zij niet lang illegaal in Nederland heeft verbleven en dat zij zich uit eigen beweging heeft gemeld bij de gemeente, doet niet af aan de feitelijke juistheid van de tegengeworpen gronden. Daarnaast heeft eiseres haar stelling dat uit rechtspraak van deze rechtbank volgt dat, als er twee zware gronden aanwezig zijn, toch geen onttrekkingsrisico wordt aangenomen, niet onderbouwd of geconcretiseerd door (de vindplaats van) deze rechtspraak aan te duiden. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij.
6.2.
Eiseres voert vervolgens aan dat er ook geen risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken omdat zij een asielaanvraag heeft gedaan en deze asielaanvraag momenteel nog wordt behandeld. Door deze lopende asielaanvraag is er volgens eiseres geen onttrekkingsrisico nu zij geen vertrekplicht heeft, verblijft op een bij de minister bekend adres en in haar primaire levensbehoeften wordt voorzien.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister eerst een terugkeerbesluit aan eiseres heeft opgelegd en dat eiseres pas daarna een asielaanvraag heeft ingediend. Ten tijde van oplegging van het terugkeerbesluit was dus nog geen sprake van een lopende asielaanvraag. De omstandigheid dat eiseres na oplegging van het terugkeerbesluit een asielaanvraag heeft ingediend, leidt er slechts toe dat de feitelijke tenuitvoerlegging van het opgelegde terugkeerbesluit tijdelijk wordt geschorst2, maar kan er niet toe leiden dat er ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit geen onttrekkingsrisico kon worden aangenomen.
2 ABRvS 8 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:959, r.o. 3.2.
6.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister was daarom niet verplicht om eiseres een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden. De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod
7. Eiseres voert aan dat de minister van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien, omdat haar ten onrechte een vertrektermijn is onthouden en omdat er bijzondere omstandigheden zijn, in die zin dat eiseres verloofd is met een Nederlandse man en zij met haar verloofde samenwoont. Ter onderbouwing van deze relatie en verloving heeft eiseres een verklaring van haar partner, foto’s en acht verklaringen van familieleden, vrienden en kennissen ingediend.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet Pro van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw kan de minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Op grond van paragraaf A4/2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) weegt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen artikel 8 EVRM Pro-aspecten mee bij het besluit tot uitvaardigen van een inreisverbod.
7.2.
In het proces-verbaal van gehoor (pagina 4) zijn de vragen opgenomen die aan eiseres gesteld zijn om haar op die manier in de gelegenheid te stellen toe te lichten waarom van het opleggen van een inreisverbod afgezien moet worden. Zo heeft eiseres verklaard geen familie in Nederland en Europa te hebben en heeft zij verklaard gezond te zijn en geen medicijnen te gebruiken. Eiseres verklaart verder naïef te zijn geweest ten aanzien van het regelen van de Poolse verblijfsvergunning, niet te hebben geweten dat deze vergunning vals was en vanwege dit valse document tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden te zijn veroordeeld. In deze antwoorden hoefde de minister naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te zien om geen inreisverbod aan eiseres op te leggen. Dit geldt ook voor de relatie die eiseres heeft met haar partner die in Nederland rechtmatig verblijf heeft. Niet ten onrechte heeft de minister verwezen naar vaste rechtspraak3 waaruit volgt dat wanneer familie- en privéleven wordt opgebouwd tijdens illegaal verblijf of een periode waarin de verblijfsrechtelijke status onzeker is, dat familie- en privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten daarvan. Op grond hiervan heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat het enkele feit dat eiseres een relatie heeft onvoldoende is om af te zien van oplegging van een inreisverbod op grond van artikel 8 EVRM Pro.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten van de minister daarom voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiseres aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3 Zie onder meer ABRvS 13 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2661, r.o. 3.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 september 2025
Mr. C.M. Dijksterhuis M.M.A.F.C. Lienaerts
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.