ECLI:NL:RBDHA:2025:21238
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak over niet tijdig beslissen en dwangsom in bezwaarprocedure COVID-19 vaccinatie-informatie
Opposant diende op 30 december 2020 een Wob-verzoek in bij de minister van VWS over de wettelijke aansprakelijkheid tussen overheid en leveranciers van COVID-19 vaccins. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures nam de minister geen beslissing op het bezwaar. Opposant startte meerdere beroepen wegens niet tijdig beslissen, waarbij de rechtbank telkens een uiterlijke beslisdatum en een dwangsom vaststelde.
Bij de derde uitspraak van 8 augustus 2025 werd een dwangsom van €50 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd. Opposant stelde verzet in tegen deze uitspraak, met name over de hoogte en doorlooptijd van de dwangsom, en klaagde over de lange besluitvorming en communicatie van de minister.
De rechtbank oordeelt dat het verzet alleen kan slagen indien het beroep kennelijk onterecht zonder zitting is afgewezen. Omdat de kennelijkheid van de gegrondheid van het beroep niet ter discussie staat en opposant geen nieuwe standpunten aanvoert, is het verzet ongegrond. De rechtbank benadrukt dat verzet niet bedoeld is om met terugwerkende kracht dwangsommen aan te passen, wat in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.
De uitspraak van 8 augustus 2025 blijft daarmee in stand en het verzet wordt verworpen. Tegen deze beslissing zijn geen rechtsmiddelen meer open.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak over niet tijdig beslissen en de hoogte van de dwangsom wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.