ECLI:NL:RBDHA:2025:21240
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, betoogde dat de maatregel onrechtmatig was vanwege termijnoverschrijding, onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting, het ontbreken van een lichter middel, en het ontbreken van uitzicht op uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en dat alleen het rechtmatigheid vanaf dat moment moest worden beoordeeld. Hoewel de rechtbank constateerde dat het vooronderzoek niet binnen de wettelijke termijn was gesloten, leidde deze termijnoverschrijding niet tot schending van de belangen van eiser. De rechtbank vond dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door het indienen van een lp-aanvraag en het herhaaldelijk rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten.
Verder was de stelling dat een lichter middel had moeten worden toegepast onvoldoende onderbouwd en was er zicht op uitzetting aanwezig. Eiser had ook onvoldoende inspanningen verricht om de uitzetting te bespoedigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.