Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 29 januari 2025 staande gehouden en vervolgens de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. Eiser betwist de gronden voor de maatregel en het voortraject, met name de wijze van staandehouding en overbrenging.
De rechtbank oordeelt dat de staandehouding op een juiste wettelijke grondslag plaatsvond, namelijk een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Wel is vastgesteld dat eiser ten onrechte werd overgebracht op grond van artikel 50, derde lid, Vw, omdat zijn identiteit op dat moment nog niet vaststond. Dit gebrek leidt echter niet tot onrechtmatigheid van de maatregel zelf, maar wel tot veroordeling van verweerder in de proceskosten.
De rechtbank stelt vast dat de zware gronden voor de bewaring, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet vrijwillig verlaten van Nederland na beëindiging van het verblijfsrecht, feitelijk juist zijn. De lichte gronden behoeven geen nadere bespreking omdat zij de maatregel niet onrechtmatig maken.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €907 vanwege het geconstateerde gebrek in het voortraject.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met veroordeling van verweerder in de proceskosten.