Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21345

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
NL25.53645
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000paragraaf A3/6.12 Vcparagrafen D7.2 en D7.3 Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens niet tijdige uitvoering strafvonnis en toekenning schadevergoeding

Eiser werd op 2 november 2025 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000, aansluitend op een strafrechtelijke heenzending. Na twee dagen bleek dat eiser nog een openstaand strafvonnis van 21 dagen had dat eerst moest worden uitgezeten. De maatregel van bewaring werd daarop op 5 november 2025 opgeheven.

De rechtbank oordeelt dat verweerder voortvarend heeft gehandeld bij het opvragen van justitiële documentatie en het opheffen van de maatregel. Echter is na de opheffing niet onverwijld gestart met de uitvoering van het strafvonnis, waardoor eiser onrechtmatig in het Detentiecentrum Rotterdam werd vastgehouden zonder titel. Dit verlengde de vrijheidsontneming onrechtmatig.

De rechtbank stelt dat voorafgaand aan de oplegging van de maatregel een uittreksel uit de justitiële documentatie had moeten worden opgevraagd om onderbreking van de bewaring te voorkomen. Ondanks dat de Afdeling bestuursrechtspraak hier anders over oordeelt, acht de rechtbank dit noodzakelijk voor zorgvuldigheid en voortvarendheid.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding toe voor de periode dat de maatregel ten uitvoer is gelegd en bepaalt de schadevergoeding op €440. Tevens worden proceskosten van €1.814 toegewezen. De uitspraak is gedaan door rechter S. van Lokven op 13 november 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding van €440 toe wegens onrechtmatige bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53645

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1990, Poolse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
Eiser,
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: L. Verhaegh.)

Procesverloop

Verweerder heeft op 2 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 5 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven in verband met de tenuitvoerlegging van een strafvonnis.
Eiser heeft desgevraagd aangegeven zijn beroep te handhaven om in aanmerking te worden gebracht voor schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, is de vraag of de rechtbank eiser in vrijheid moet stellen niet aan de orde en beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft 3 zogenoemde zware gronden en 2 zogenoemde lichte gronden opgevoerd om het onttrekkingsrisico te onderbouwen.
3. Eiser voert aan dat onduidelijk is geweest wat aan hem is uitgereikt omdat de beschikking van 30 juli 2024 waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht heeft niet met behulp van een C1-tolk in de Poolse taal is uitgereikt maar met behulp van een medewerkster van de Stichting Barka en het niet duidelijk is geweest dat eiser rechtsmiddelen kon aanwenden. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is geweest omdat niet valt in te zien waarom verweerder niet reeds bij oplegging van de maatregel op de hoogte is geweest dat eiser nog een openstaand vonnis had. Verweerder had moeten voorkomen dat eiser nadat de maatregel opgelegd was nog een strafrechtelijke detentie moest ondergaan.
4. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
5. De beroepsgrond dat de drangbeschikking niet op de daartoe vereiste wijze is uitgereikt slaagt niet. De beschikking is in persoon uitgereikt en eiser heeft niet betwist dat hij deze beschikking heeft ontvangen. Er is geen wettelijk voorschrift waaruit volgt dat beschikkingen met behulp van een tolk moeten worden uitgereikt. Dat op het uitreikingsblad behorende bij de beschikking ruimte is voor het vermelden van een ‘nummer tolk’ indien de beschikking in persoon is uitgereikt betekent niet dat de beschikking niet in werking treedt als de beschikking niet met tussenkomst van een tolk is uitgereikt. Op het uitreikingsblad is immers ook ruimte aan om aan te geven dat de beschikking in kopie aan de gemachtigde is uitgereikt. Dat is in het onderhavige geval ook niet gebeurd en betekent ook niet dat de beschikking niet op de juiste wijze is uitgereikt. De beschikking moet in persoon worden uitgereikt en de strekking van die beschikking moet voor eiser duidelijk zijn geweest. Dat dit het geval is blijkt uit het bewaringsgehoor waarin eiser, nadat hem is voorgehouden dat de drangbeschikking is opgemaakt en uitgereikt, heeft bevestigd dat hij geen bezwaar heeft aangetekend. Uit de M110 blijkt dat eiser op de hoogte was van de inhoud van de beschikking, de rechtsgevolgen hiervan en de mogelijkheid om bezwaar te maken. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat indien eiser dit alles niet zou hebben begrepen, het dan verwacht mocht worden dat hij na het bewaringsgehoor alsnog bezwaar zou maken en zich zou hebben beroepen op het niet eerder bekend zijn geweest met deze beschikking en de strekking hiervan. De rechtbank stelt vast dat eiser op de hoogte is geraakt van de beschikking door de uitreiking die in persoon is geschied en waarvan de inhoud aan hem duidelijk is gemaakt op het moment van uitreiking. Dat dit is geschied door tussenkomst van een medewerkster van de Stichting Barka betekent niet dat de beschikking niet rechtsgeldig is uitgereikt of niet in werking zou zijn getreden. De beschikking van 30 juli 2024, die op 2 oktober 2024 aan eiser in persoon is uitgereikt, kan dus dienen als grondslag van de maatregel.
6. Eiser is op 2 november 2025 overgenomen en opgehouden aansluitend op een strafrechtelijke heenzending. Dit strafrechtelijke voortraject is afgedaan met een boete. Op 2 november 2025 is aansluitend aan de ophouding de maatregel van bewaring opgelegd om de terugkeer naar Polen te verzekeren. Verweerder heeft het OM op 3 november 2025 gevraagd of er bezwaar bestaat tegen de gedwongen terugkeer van eiser naar Polen. Verweerder heeft op 4 november 2025 een strafvonnis ontvangen. De regievoerder heeft, blijkens de aanbiedingsbrief, de KMar diezelfde dag verzocht de maatregel op te heffen en dit is op 5 november 2025 geschied.
7. De rechtbank is het eens met eiser dat verweerder ook voorafgaand aan de oplegging van de maatregel het OM had kunnen vragen om een uittreksel uit de justitiële documentatie. Dan had verweerder niet alleen kunnen zien dat het OM om toestemming had moeten worden gevraagd om eiser uit te zetten naar Polen, maar dan had verweerder ook aanstonds kunnen zien dat moest worden nagegaan of de nog openstaande gevangenisstraffen/hechtenissen geëxecuteerd moesten worden. Indien ofwel de strafrechtketen dit voorafgaand aan de heenzending had gedaan ofwel verweerder voorafgaand aan oplegging van de maatregel, had eiser aansluitend aan de vreemdelingrechtelijke ophouding overgedragen kunnen worden aan de strafrechtketen om ‘het strafvonnis van 21 dagen uit te zitten’. Nu is eerst de maatregel opgelegd en de maatregel drie dagen ten uitvoer gelegd om vervolgens op 5 november 2025 te worden opgeheven.
8. Uit dossier blijkt dat maatregel op 5 november 2025 is opgeheven in verband met de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 21 dagen. Tevens blijkt echter dat er niet onmiddellijk na de opheffing van de maatregel een aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van deze straf. Verweerder houdt immers op 6 november 2025 in het DTC Rotterdam een vertrekgesprek met eiser en in het verslag is hierover het navolgende opgenomen:
(…)
Allereerst stel ik mij aan betrokkene voor als regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Betrokkene verklaart bekend te zijn met de DTenV. Vervolgens leg ik uit dat hij op 2 november in vreemdelingenbewaring is gesteld, maar dat deze maatregel op 5 november weer is opgeheven, omdat hij nog een vonnis van 21 dagen uit moet zitten. Om deze reden zal hij binnenkort worden overgeplaatst naar Ter Apel en zal de DTenV proberen om hem op zijn einddatum terug te laten keren naar Polen.
(…)
9. De rechtbank overweegt dat hieruit blijkt dat verweerder tracht om voortvarend te werken en ook na opheffing van de maatregel inspanningen verricht om de terugkeer van eiser naar Polen voor te bereiden. Uit de aanbiedingsbrief blijkt ook dat verweerder op 7 november 2025 een terug- en overname verzoek heeft ingediend bij de Poolse autoriteiten.
10. De rechtbank stelt echter vast dat voortvarend handelen ook vereist dat indien de maatregel wordt opgeheven omdat een strafvonnis ten uitvoer moet worden gelegd, eiser onverwijld na de opheffing van de maatregel uit het DTC wordt overgebracht naar de PI Ter Apel en er een aanvang wordt gemaakt met de tenuitvoerlegging van het strafvonnis. Eiser is echter na de opheffing van de maatregel in het DTC gehouden zonder titel voor vrijheidsontneming. De maatregel was immers opgeheven en de tenuitvoerlegging van de openstaande straf vindt plaats in PI Ter Apel. De dagen dat eiser nog in het DTC is gehouden kunnen niet in mindering worden gebracht op de tenuitvoerlegging van het strafvonnis en kunnen ook niet leiden tot opheffing van de maatregel want die is immers al opgeheven. De rechtbank kan op grond van dit dossier niet vaststellen wanneer eiser is overgebracht naar PI Ter Apel.
11. De rechtbank betrekt het handelen van verweerder na de opheffing van de maatregel en met name het niet feitelijk opheffen van de vrijheidsontneming in het DTC, bij de rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel. Indien verweerder na het ontvangen van het strafvonnis de maatregel niet onverwijld had opgeheven maar had laten voortduren, was de maatregel daarom onrechtmatig geweest omdat een aanvang had moeten worden gemaakt met de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Nu verweerder de maatregel heeft opgeheven en dus juridisch heeft beëindigd, maar feitelijk heeft laten voortduren en er daarom niet kon worden begonnen met het ‘uitzitten van de straf’ kan de conclusie niet anders luiden dan dat dit de maatregel ook onrechtmatig maakt. Voorkomen moet immers worden dat door het opheffen van de maatregel de feitelijke voortduring van de vrijheidsontneming in het DTC Rotterdam aan een rechterlijke controle wordt onttrokken, temeer omdat aan deze vrijheidsgrond geen titel ten grondslag ligt.
12. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen vereist een zorgvuldige voorbereiding van een mogelijk op te leggen maatregel dat indien er indicaties zijn dat een mogelijk in bewaring te stellen derdelander of Unieburger wiens verblijfsrecht is beëindigd strafrechtelijke antecenten heeft, dat alvorens de maatregel wordt opgelegd zou moeten worden nagegaan of er “openstaande straffen” zijn die nog moeten worden tenuitvoergelegd, dan wel of er nog “openstaande strafzaken” zijn waarin een vervolgingsbeslissing moet worden genomen of waarvoor de betrokkene is gedagvaard en de behandeling van de strafzaak nog moet plaatsvinden. in paragraaf A3/6.12 Vc is bepaald dat moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. De rechtbank overweegt (wederom) dat ook moet worden voorkomen dat een bewaringstraject moet worden onderbroken omdat er nog een strafrechtelijke detentie moet plaatsvinden. Door eerst de strafrechtelijke vrijheidsontnemende titel te executeren wordt bewerkstelligd dat, indien aansluitend wordt overgegaan tot een inbewaringstelling, deze inbewaringstelling niet wordt onderbroken. Gedurende de vrijheidsontneming op strafrechtelijke grondslag kan reeds gewerkt worden aan de uitzetting en overdracht van de betrokken derdelander indien is vastgesteld dat deze niet voldoet aan een vertrekplicht of er indicaties zijn dat de Dublinverordening van toepassing zijn. Om een onderbreking van de inbewaringstelling te voorkomen zou verweerder, om zorgvuldig te handelen en gedurende het gehele uitzettingstraject voortvarend te handelen, voorafgaand aan de oplegging van de maatregel een uittreksel uit de justitiële documentatie op te vragen en contact op te nemen met het Openbaar Ministerie en het CJIB. Deze volgordelijkheid van executie van vrijheidsontnemende titels en dus het uitgangspunt dat het strafrechtelijk traject van vrijheidsontneming vooraf dient te gaan aan een inbewaringstelling en enkel op vreemdelingrechtelijke gronden voortijdig wordt beëindigd of wordt onderbroken blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit paragrafen D7.2 en D7.3 van de “Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS).
13. De rechtbank is ermee bekend dat de Afdeling het niet eens is met de overwegingen van de rechtbank dat voorafgaand aan de inbewaringstelling in zaken als de onderhavige het uittreksel uit de justitiële documentatie had moeten worden verkregen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van de Afdeling van 15 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4219) en 9 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3229).
14. De rechtbank stelt vast dat indien verweerder wél voorafgaand aan oplegging van de maatregel het uittreksel uit de justitiële documentatie had opgevraagd, de maatregel naar alle waarschijnlijk niet zou zijn opgelegd. Dan was immers aanstonds duidelijk geweest dat eiser op 24 juli 2025 door het Gerechtshof Den Haag is veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf en dat moest worden nagegaan of deze straf geëxecuteerd diende te worden voordat eiser wordt uitgezet. Indien verweerder dit evenwel niet doet omdat de Afdeling dit niet vereist, ligt het wel voor de hand dat DT&V spoedig na oplegging van de maatregel alsnog het uittreksel uit de justitiële documentatie opvraagt als er aanwijzingen zijn dat de in bewaring gestelde vreemdeling eerder met justitie in aanraking is gekomen en niet pas acteert als hem een strafvonnis met executie-mededeling wordt toegezonden. Indien een zogenoemde drangbeschikking de grondslag voor de maatregel vormt, is het niet onwaarschijnlijk dat er sprake is van justitiële documentatie en zou dus aanleiding bestaan om na te gaan of niet alleen contact opgenomen moet worden met het OM of er bezwaar bestaat tegen de uitzetting, maar ook om na te gaan of de maatregel kan voortduren tot aan de uitzetting zonder ‘strafonderbreking’.
15. In de onderhavige procedure is eiser op 2 november 2025 in bewaring gesteld en is op 3 november 2025, op grond van een op 3 november 2025 opgevraagd en gedateerd uittreksel uit de justitiële documentatie, aan het OM gevraagd of er bezwaar is tegen de uitzetting. Op 4 november 2025 is een strafvonnis ontvangen en op 5 november 2025 is de maatregel opgeheven om het strafvonnis ten uitvoer te leggen. Op grond van de Afdelingsjurisprudentie zijn deze handelingen voldoende voortvarend verricht. Eiser heeft overigens terecht opgemerkt dat de reactie van het OM, die blijkens de aanbiedingsbrief op 6 november 2025 zou zijn ontvangen, niet in het dossier is geplaatst. Op 6 november 2025 was de maatregel echter al opgeheven zodat hieraan geen zelfstandige betekenis toekomt.
De rechtbank concludeert evenwel dat de maatregel desondanks als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd omdat de maatregel feitelijk is doorgelopen na de voortvarende juridische opheffing. Zoals hiervoor overwogen vereist voortvarend handelen dat tot opheffing van de maatregel leidt, dat de vrijheidsontneming die is gestart met de oplegging van de maatregel ook daadwerkelijk wordt beëindigd. Dat is hier niet gebeurd. Dat na de opheffing nog verwijderingshandelingen zijn verricht maakt dit niet anders omdat de dagen dat de bewaring feitelijk voortduurt niet in mindering worden gebracht op de strafrechtelijke detentie en verweerder de feitelijke uitzetting uitvoert nadat het strafvonnis (volledig) ten uitvoer is gelegd. De totale vrijheidsontneming die verband houdt met de uitzetting duurt dus langer doordat niet eerder is begonnen met het tenuitvoerleggen van het vonnis. Omdat het handelen van verweerder tot gevolg heeft dat de vrijheidsontneming langer duurt dan is toegestaan, concludeert de rechtbank dat de tenuitvoerlegging van de maatregel van aanvang af onrechtmatig is.
16. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank acht het niet opportuun om de overige rechtmatigheidsaspecten te beoordelen. Aan de vrijheidsontneming die eiser thans ondergaat ligt geen bewaringsmaatregel ten grondslag. De rechtbank kan eiser daarom niet in vrijheid stellen en brengt eiser alleen in aanmerking voor schadevergoeding. De rechtbank kan deze schadevergoeding uitsluitend toekennen voor de periode dat de maatregel ten uitvoer is gelegd en tot aan de opheffing van de maatregel. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de standaardmatig toegekende bedragen en bepaalt de hoogte van de schadevergoeding op een bedrag van € 440,-.
11. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en zal daarom een proceskostenveroordeling uitspreken en daarbij de standaardmatig toegekende punten en bedragen hanteren.
18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 440,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 november 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.