ECLI:NL:RBDHA:2025:21387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/09/668249 / HA ZA 24-523
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Merkenrechtelijke geschillen en onrechtmatig handelen in de logistieke sector

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiseres] B.V. en meerdere buitenlandse rechtspersonen, gezamenlijk aangeduid als [gedaagden]. De zaak betreft een vordering tot opheffing van een dwangsom die aan [eiseres] was opgelegd in een eerdere procedure over merkinbreuk. De rechtbank heeft vastgesteld dat [eiseres] niet in de onmogelijkheid verkeert om aan de veroordeling te voldoen, zoals bedoeld in artikel 611d Rv. De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiseres] niet redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om aan het opgavebevel te voldoen, en heeft de vordering tot opheffing van de dwangsom afgewezen. De rechtbank heeft ook de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] toegewezen, omdat [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij werd beschouwd. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [gedaagden, sub 4] afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank heeft de vorderingen in reconventie als niet samenhangend met de vordering in conventie beoordeeld en heeft de proceskosten aan de zijde van [gedaagden, sub 4] toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer / rolnummer: C/09/668249 / HA ZA 24-523
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. T. Geerlof te Rotterdam,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagden, sub 1] S.A.,
te Epernay (Frankrijk),
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagden, sub 2] S.A.,
te Cognac (Frankrijk),
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagden, sub 3] LIMITED,
te Edinburgh (Schotland),
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagden, sub 4] SP. ZO.O.,
te [gedaagden, sub 4] (Polen),
gedaagden in conventie,
eiseressen in reconventie,
advocaat: mr. N.W. Mulder te Amsterdam.
Eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd. De zaak is voor [eiseres] inhoudelijk behandeld door mr. Geerlof voornoemd en mrs. A.M. van Nijendaal en V. Martikjan, advocaten te Rotterdam, en voor [gedaagden] door mr. Mulder voornoemd en mr. S. van Dartel, advocaat te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 juni 2024 met producties EP01 t/m EP27;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie met producties GP01 t/m GP80 van [gedaagden] van 27 november 2024;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende uitlating producties, tevens akte overlegging aanvullende producties EP28 t/m EP58 van [eiseres] van
19 februari 2025;
- de akte overlegging aanvullende producties GP81 t/m GP89 van [gedaagden] van 6 maart 2025;
- de akte overlegging aanvullende producties GP90 t/m GP95 van [gedaagden] van 17 maart 2025;
- de akte overlegging aanvullende producties EP59 t/m EP63 van [eiseres] van 17 maart 2025;
- de brief van [gedaagden] van 21 maart 2025 waarin zij bezwaar maakt tegen de ‘akte houdende uitlating producties’ die [eiseres] op 19 februari 2025 heeft ingediend als onderdeel van de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende uitlating producties, tevens akte overlegging aanvullende producties;
- de reactie op het bezwaar van [eiseres] van 24 maart 2025;
- de e-mail van de rechtbank van 25 maart 2025 waarin aan partijen is meegedeeld dat het bezwaar wordt toegewezen en dat de rechtbank de ‘akte houdende uitlating producties’ buiten beschouwing zal laten;
- het B8-formulier van [eiseres] van 26 maart 2025 met als bijlage productie EP64.
1.2.
Op 27 maart 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. [eiseres] en [gedaagden] hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben daarbij gebruikgemaakt van spreekaantekeningen, die zij aan de rechtbank hebben overhandigd. De griffier heeft aantekening gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de aktes overlegging aanvullende producties van [gedaagden] van 6 maart 2025 (GP81 t/m GP89) en 17 maart 2025 (GP90 t/m GP95). [eiseres] acht zich in haar verdedigingsbelang geschaad omdat het zeer omvangrijke producties betreft, die zo kort voor de zitting en de uiterste termijn zijn ingediend dat [eiseres] zich hiertegen niet deugdelijk kan verweren. Bovendien waren de producties grotendeels al eerder beschikbaar en had [gedaagden] deze eerder in het geding kunnen en moeten brengen.
De rechtbank heeft dit bezwaar toegestaan voor zover het productie GP90 betreft en zal die productie buiten beschouwing laten. Voor het overige is het bezwaar afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat stukken op grond van artikel 87 lid 6 Rv en het procesreglement [1] uiterlijk tien werkdagen voor de mondelinge behandeling dienen te worden ingediend. In dit geval is daar zoals onbetwist aan voldaan; de akte van 17 maart was (net) op tijd en de akte van 6 maart is zelfs zeer ruim binnen de termijn ingediend. Het bezwaar tegen de akte van 6 maart en de daarbij ingediende producties (GP81 t/m GP89) is om die reden afgewezen. De producties die bij de akte van 17 maart zijn ingediend (GP90 t/m GP95) zijn weliswaar tijdig ingediend, maar één daarvan (GP90, zijnde de bijlagen bij de verklaring van mevrouw [naam 1] die als productie GP81 is overgelegd) is zeer omvangrijk en hierover beschikte [gedaagden] al langer, zoals zij zelf ook heeft erkend. Aangezien [gedaagden] deze productie al eerder had kunnen en moeten overleggen, bijvoorbeeld op 6 maart, acht de rechtbank indiening van productie GP90 in strijd met de goede procesorde. Ook productie GP94 is omvangrijk, maar dit betreft stukken van [eiseres] zelf, waarvan zij met de inhoud bekend geacht wordt te zijn. Omdat de overige bij akte van 17 maart ingediende producties niet omvangrijk zijn en [eiseres] daarmee niet in haar rechten is geschaad, zijn deze wel toegestaan.
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen een aantal documenten waarnaar [gedaagden] in haar pleitnota (onder punt 51 en 69) heeft verwezen, maar die niet als productie zijn overgelegd. De rechtbank heeft dit bezwaar afgewezen omdat zij van oordeel is dat [eiseres] door het opnemen van deze documenten in de pleitnota niet in haar belangen is geschaad. Het betreffen schermafbeeldingen van enkele zeer korte e-mails en daarmee geen omvangrijke stukken. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid gekregen om hierop deugdelijk te kunnen reageren.
1.5.
Na afloop van de mondelinge behandeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om in onderling overleg tot een oplossing van hun geschil te komen en is de zaak in afwachting hiervan aangehouden. Bij bericht van 1 oktober 2025 heeft de advocaat van [gedaagden] verzocht vonnis te wijzen.

2.De feiten

Partijen
2.1.
[gedaagden] maakt deel uit van het [concern 1] ( [concern 1] ), een Franse onderneming die zich wereldwijd bezighoudt met de productie en verhandeling van luxeproducten. Binnen dit concern houdt [gedaagden] zich bezig met de productie en verhandeling van alcoholhoudende dranken, waaronder champagne onder de merken
[merk 1] , [merk 2] , [merk 3] , [merk 4] , whisky onder de merken [merk 5] en [merk 6] , wodka onder het merk [merk 7] en cognac onder het merk [merk 8] . [gedaagden] is onder meer ten aanzien van de hiervoor genoemde merknamen houdster van een aantal Uniemerk-, Beneluxmerk- en internationale merkregistraties met gelding in de Europese Unie (hierna: EU) dan wel de Benelux (hierna: de [concern 1] -merken).
2.2.
[eiseres] is een logistiek dienstverlener die op grote schaal douane-, fiscale, vervoers-, inslag-, opslag- en uitslagdiensten verleent aan handelaren die (merk)producten op internationaal niveau verhandelen, waaronder producten voorzien van de [concern 1] -merken. [eiseres] houdt zich bezig met het – in opdracht van haar klanten – in-, op- en uitslaan van producten in althans vanuit een douane-entrepot of accijnsgoederenplaats, het vervoeren en ontvangen van producten onder een douane- of accijnsschorsingsregeling, het als directe vertegenwoordiger doen van accijnsaangiften, het voldoen van accijnzen en het vervullen van de noodzakelijke douaneformaliteiten voor bijvoorbeeld het vrijgeven van T1-producten dan wel het uitvoeren van die producten. [eiseres] beschikt over de vergunningen om partijen alcoholhoudende drank in haar loodsen onder andere op te slaan onder de douanestatus T1 (goederen die douanerechtelijk niet zijn ingevoerd) of T2/AGD (goederen die douanerechtelijk zijn ingevoerd, maar onder een accijnsschorsingsregeling zijn geplaatst). Het bedrijventerrein en hoofdkantoor van [eiseres] is gevestigd in [vestigingsplaats] en omvatten meerdere, aan elkaar grenzende loodsen (hierna: de ‘Warehouse’). De Warehouse bestrijkt in totaal een oppervlakte van 59.151 m² en biedt ruimte voor opslag van honderden miljoenen waren. In de Warehouse komen dagelijks honderdduizenden waren binnen in containers en op pallets.
2.3.
[eiseres] verricht haar logistieke diensten onder meer voor de [concern 2] Groep, een internationaal opererend concern dat zich bezighoudt met groothandel in en
im- en export van – voor zover hier van belang – alcoholhoudende dranken voorzien van de [concern 1] -merken. Tot de [concern 2] Groep behoren verschillende vennootschappen (hierna: [concern 2] ).
2.4.
[gedaagden] en [eiseres] (en [concern 2] ) zijn verwikkeld in een omvangrijk geschil over de onrechtmatige verhandeling van flessen alcoholhoudende drank voorzien van de [concern 1] -merken. In dat kader heeft [gedaagden] [eiseres] , [concern 2] en bij die vennootschappen betrokken bestuurders in 2016 gedagvaard in een bodemprocedure die bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaak-/rolnummer C/09/527162 / HA ZA 17-184. In die bodemprocedure heeft [gedaagden] , een inbreukverbod gevorderd met als nevenvordering (voor zover hier van belang) opgave van bepaalde gegevens met betrekking tot de inbreuk, en afdracht van de met de inbreuk behaalde winst.
Het Vonnis
2.5.
Op 14 juni 2023 heeft deze rechtbank in genoemde bodemprocedure vonnis gewezen (hierna: het Vonnis) [2] . In de zaken tegen [eiseres] heeft de rechtbank in de kern het volgende geoordeeld. De rechtbank heeft de vorderingen van [gedaagden] voor zover gestoeld op (zelfstandige) merkinbreuk door [eiseres] afgewezen. Wel heeft de rechtbank vastgesteld dat [eiseres] door het faciliteren van merkinbreuk door derden, waaronder [concern 2] (in het Vonnis aangeduid als ‘de Werkmaatschappijen’), onrechtmatig jegens [gedaagden] heeft gehandeld. Op die grond heeft de rechtbank jegens [eiseres] het gevorderde stakingsbevel en de nevenvorderingen toegewezen. Daarover heeft zij in het Vonnis – voor zover hier relevant – het volgende overwogen (waarbij [eiseres] wordt aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en [gedaagden] als ‘ [gedaagden] ’):

6.II.D. in de zaken tegen [eiseres] c.s.
1. de aan [eiseres] verweten handelingen
(…)
2. slotsom vastgesteld onrechtmatig handelen door [eiseres]
6.88.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiseres] niet zelf inbreuk heeft gemaakt op de merkrechten van [gedaagden] . Zij heeft wel onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagden] door het faciliteren van de merkinbreukmakende handelingen decoderen, invoer, uitvoer en opslag ter verhandeling van gedecodeerde waar. Dit is vastgesteld met betrekking tot de [gedaagden, sub 1] -Merken [merk 8] , [merk 1] , [merk 4] , [merk 5] en [merk 2] . Dit brengt mee dat ook onrechtmatig is gehandeld door het faciliteren van inbreuk op het Merk [merk 1] . Hieronder is in een tabel weergegeven voor welke merken onrechtmatig handelen is vastgesteld, waarbij steeds de oudste vastgestelde onrechtmatige daad is vermeld, en wanneer deze ver in het verleden ligt, ook een recentere.
Merk
Oudste OD
Productie
Gefaciliteerde inbreukhandeling (o.a.)
[merk 8]
10-07-2006
30-08-2016
EP33
EP04, EP146
Opslag gedecodeerde waar
Opslag, decoderen (beslag)
[merk 1]
23-10-2006
30-08-2016
EP33
EP04, EP146
Opslag gedecodeerde waar
Opslag, decoderen (beslag)
[merk 4]
11-02-2013i
EP47d
Decoderen, uitvoer
[merk 5]
16-08-2012i
13-01-2014
EP48
EP28
Decoderen, uitvoer
Invoer gedecodeerde waar
[merk 2]
01-05-2012i
EP48
Decoderen, uitvoer
(…)
In de zaak tegen [eiseres]
6.156. Gelet op de vaststelling dat [eiseres] onrechtmatig jegens [gedaagden] heeft gehandeld door het faciliteren van merkinbreuk (zie 6.88), wordt het ter zake gevorderde stakingsbevel (onderdeel B.IX van de vorderingen) toegewezen, zoals in het dictum verwoord. Het verbod is beperkt tot het leveren van logistieke diensten waarbij [eiseres] weet of behoort te weten dat sprake is van (het faciliteren van) inbreuk op de [gedaagden, sub 1] -merken. Dat is, zoals reeds overwogen, het geval bij het faciliteren van decoderen van [gedaagden, sub 1] -producten met douanestatus T2/AGD en het faciliteren van de handel (invoer, uitvoer, opslag) in gedecodeerde [gedaagden, sub 1] -producten met douanestatus T2/AGD, maar niet bij het faciliteren van de handel in niet-uitgeputte [gedaagden, sub 1] -producten (zie 6.82). Nu [gedaagden] onrechtmatig handelen van [eiseres] in andere Unielanden dan in Nederland niet heeft toegelicht, wordt het verbod beperkt tot Nederland. De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen, zij het dat deze zullen worden gematigd en gemaximeerd zoals verwoord in het dictum. Om executiegeschillen te voorkomen, zal een verbod worden opgelegd met ingang van één week na betekening van het vonnis. Niet valt in te zien welk belang [gedaagden] naast een verbod heeft bij een verklaring voor recht dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, zodat die vordering, evenals alle vorderingen die zien op merkinbreuk door [eiseres] , zal worden afgewezen.
- schadevergoeding en winstafdracht
6.157. [eiseres] is aansprakelijk voor de schade die [gedaagden] heeft geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [eiseres] . De ter zake gevorderde verklaring voor recht (onderdeel B.XVIII van de vorderingen) is dus toewijsbaar. Het is aannemelijk dat [gedaagden] mogelijk schade heeft geleden ten gevolge van het vastgestelde onrechtmatig handelen van [eiseres] . De rechtbank zal daarom bepalen dat de schade nader moet worden opgemaakt bij staat en niet, zoals [gedaagden] primair vordert, dat deze moet worden berekend aan de hand van de opgave. Het verweer van [eiseres] dat causaal verband ontbreekt tussen de gestelde schade (winstderving, afname commerciële waarde van de Merken, reputatieschade en kosten opsporing) en de aan haar verweten onrechtmatige handelingen, dient in de schadestaatprocedure te worden beoordeeld. Daarbij geldt dat [gedaagden] niet van verschillende partijen (de Werkmaatschappijen en [eiseres] ) vergoeding van dezelfde schade kan verkrijgen.
6.158. Voor het toewijzen van de gevorderde winstafdracht (onderdeel B.XVII van de vorderingen) op de voet van art. 21 lid 4 BVIE bestaat, nu geen merkinbreuk is vastgesteld, geen grond. Of aanleiding bestaat om door [eiseres] te vergoeden schade op de voet van art. 6:104 BW (deels) te begroten op de door [eiseres] met de onrechtmatige handelingen genoten winst, kan in de schadestaat-procedure worden beoordeeld nadat de daartoe strekkende, hierna toe te wijzen, opgave is gedaan.
- opgave
6.159. De gevorderde opgave (onderdeel B.XIII van de vorderingen) is ten aanzien van [eiseres] beperkt toewijsbaar, zoals in het dictum verwoord. [gedaagden] heeft belang bij opgave om de omvang van het onrechtmatig handelen van [eiseres] te kunnen vaststellen in verband met de begroting van de schade, informatie over opdrachtgevers te verkrijgen en om de door [eiseres] met die handelingen genoten winst te kunnen begroten. Voor opgave is alleen aanleiding als het gaat om het faciliteren van handelingen met gedecodeerde [gedaagden, sub 1] -producten voorzien van de Merken [merk 8] , [merk 1] , [merk 4] , [merk 5] en [merk 2] en met douanestatus T2/AGD, dan wel het decoderen van [gedaagden, sub 1] -producten met die status dan wel invoer waardoor dergelijke producten douanestatus T2/AGD verkrijgen. Voor het opleggen van de verplichting tot het doen van opgave van zendingen die naar haar onderweg zijn of voorraden die bij derden worden gehouden, bestaat geen aanleiding. Voorts geldt hetgeen hiervoor in dit verband ten aanzien van de Werkmaatschappijen is overwogen met betrekking tot, onder meer, de beperking in tijd. Dit betekent dat opgave moet worden gedaan vanaf de volgende data:
- 22 november 2009 voor de Merken [merk 8] en [merk 1] ;
- 16 augustus 2012 voor de Merken [merk 5] en [merk 2] ;
- 11 februari 2013 voor het Merk [merk 4] .
6.160. Het verweer van [eiseres] dat zij door de gevorderde opgave disproportioneel wordt belast, gaat niet op. De opgave sluit aan op het vastgestelde onrechtmatig handelen. Wel zal de rechtbank, omdat de opgave mogelijk aanzienlijk zal zijn in omvang, een termijn van zes maanden bepalen voor het voldoen aan die verplichting. Op dezelfde gronden als hiervoor in 6.138 overwogen zal de gevorderde opgave door een accountant worden afgewezen.
6.161. De opgave van winstgegevens is, gelet op wat hiervoor in 6.158 is overwogen, toewijsbaar voor zover het gegevens betreft over winst behaald met het onrechtmatig faciliteren van merkinbreuk. De winst betreft, anders dan [gedaagden] lijkt te veronderstellen, niet de resultante van de verkoopprijs verminderd met de aankoopprijs en met de verkoop rechtstreeks verband houdende belastingen en kosten. Deze vorm van winst wordt gegenereerd door de opdrachtgevers van [eiseres] . De nettowinst van [eiseres] is gelegen in het tarief voor de invoer, opslag, het uitvoeren van VAL-activiteiten etcetera dat zij bij haar opdrachtgevers in rekening heeft gebracht/brengt (door [eiseres] aangeduid als
service fee) minus de in dit verband gemaakte kosten en verschuldigde belastingen. De vordering zal aldus worden toegewezen. De dwangsom voor de opgave zal worden toegewezen, enigszins gematigd. Voorts zal aan het totaal van te verbeuren dwangsommen een maximum worden verbonden.
(…)
In de zaken tegen gedaagden [eiseres] c.s., [bedrijfsnaam 1] , [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3]
Art. 843a Rv - exhibitie-vordering [merk 8]
(…)
7.3.
[gedaagden] vordert na eisvermindering uitsluitend nog indirecte inzage door een forensisch accountant in de in beslag genomen administraties, althans in kopieën daarvan, teneinde:
- de juistheid en volledigheid van de hiervoor bedoelde opgave na te gaan,
- de omvang van de inbreuk op de Merken na te gaan,
- de distributiekanalen in kaart te brengen met betrekking tot de verhandeling van Inbreukmakende [gedaagden, sub 1] -producten en het verlenen van Onrechtmatige Dienstverlening, en
- haar schade vast te kunnen stellen.
(…)
7.9.
Onrechtmatig handelen door [eiseres] en merkinbreuk door de Werkmaatschappijen is vastgesteld, zodat met betrekking tot die partijen de voor exhibitie vereiste rechtsbetrekking aanwezig is. Jegens die partijen ziet de rechtbank echter geen aanleiding voor toewijzing van de exhibitie-vordering, voor zover deze erop is gericht de juistheid en volledigheid van de opgave te controleren aan de hand van de in conservatoir beslag genomen informatie. Opgave op straffe van verbeurte van een dwangsom biedt voldoende waarborg. [gedaagden] heeft zelf aangegeven primair opgave te vragen omdat het bewijsbeslag onvolledig zou kunnen zijn, zodat niet valt in te zien wat het belang is van aanvullende controle, nog daar gelaten de kosten die daarmee gemoeid zullen zijn, zodat het vereiste van het hebben van rechtmatig belang ontbreekt. De dubbele kosten voor opgave door de Werkmaatschappijen en [eiseres] en inzage ter controle van dezelfde informatie door een forensisch accountant, is ook niet proportioneel. De overige in de exhibitievordering genoemde doelen (vaststellen distributiekanalen en omvang van de inbreuk en de schade) vormen ook onderdeel van de ten aanzien van JMN, [bedrijfsnaam 4] , LB11 en [eiseres] ieder afzonderlijk te bevelen opgave, en vormen daarmee in feite eveneens een vordering om de opgave te controleren. De exhibitie-vordering [merk 8] in de hoofdzaak zal dan ook worden afgewezen.”
2.6.
Voor zover hier van belang, luidt het dictum van het Vonnis als volgt (waarbij [eiseres] wordt aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en [gedaagden] als ‘ [gedaagden] ’):
“De rechtbank
(…)
in de zaak tegen [eiseres]
10.27.
beveelt [eiseres] om met ingang van één week na betekening van het vonnis het onrechtmatig handelen jegens [gedaagden] in Nederland te staken en gestaakt te houden, bestaande uit het op commerciële schaal verlenen van diensten aan derden met betrekking tot gedecodeerde [gedaagden, sub 1] -producten voorzien van de merken [merk 8] , [merk 1] , [merk 4] , [merk 5] en/of [merk 2] die douanestatus T2/AGD hebben of door invoer krijgen, waaronder in ieder geval begrepen het faciliteren van decoderen, opslag ter verhandeling, invoer en uitvoer;
10.28.
veroordeelt [eiseres] tot afgifte ter vernietiging van de onder [eiseres] op 30 augustus 2016 in conservatoir afgiftebeslag genomen Inbreukmakende [gedaagden, sub 1] -producten binnen één maand na betekening van dit vonnis, en verklaart voor recht dat [eiseres] de kosten van de vernietiging van die producten aan [gedaagden] moet vergoeden;
10.29.
veroordeelt [eiseres] om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis aan de raadsman van [gedaagden] , mr. N.W. Mulder, een door haar, voor haar rekening opgestelde, schriftelijke opgave te doen, ter staving daarvan vergezeld van kopieën van relevante documenten (facturen, paklijsten, vrachtbrieven, (e-mail)correspondentie, orders, orderbevestigingen, voorraadadministratie, douanestukken of andere bewijsstukken), per Merk, met ingang van de in 6.159 genoemde data, van:
het aantal gedecodeerde Inbreukmakende [gedaagden, sub 1] -producten waarvan zij de inbreuk heeft gefaciliteerd, waaronder in ieder geval begrepen het faciliteren van decoderen, opslag ter verhandeling, invoer en uitvoer op douanestatus T2/AGD dan wel waarbij de producten die douanestatus door invoer hebben verkregen, onder vermelding van volledig(e) adres(sen) en telefoonnummer(s) van de opdrachtgevers, een en ander gerangschikt per jaar, per transactie, waaronder ook begrepen de beslagen producten;
de nettowinst die [eiseres] met de geleverde diensten met betrekking tot de onder a) bedoelde producten heeft behaald;
10.30.
bepaalt dat [eiseres] een dwangsom verbeurt van € 5.000,-- voor iedere dag (een gedeelte van een dag als een hele gerekend) dat zij het in 10.27 verwoorde bevel en de in 10.28 en 10.29 verwoorde veroordelingen overtreedt, dan wel daaraan niet voldoet, met een maximum van € 2.500.000,-;
10.31.
verklaart voor recht dat [eiseres] aansprakelijk is voor alle schade die het gevolg is van haar onrechtmatig faciliteren van inbreuken op de Merken genoemd in 10.27, en veroordeelt [eiseres] om de schade die [gedaagden] heeft geleden en lijdt als gevolg daarvan, aan [gedaagden] te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding dan wel, wanneer het faciliteren van latere datum is, vanaf die latere datum;
10.32.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
10.33.
verklaart de hiervoor jegens [eiseres] gegeven bevelen en veroordelingen jegens [eiseres] uitvoerbaar bij voorraad;
10.34.
wijst het meer of anders gevorderde af;
(…)”
2.7.
Het Vonnis is op 6 juli 2023 aan [eiseres] betekend. [eiseres] diende dus uiterlijk op 6 januari 2024 aan het onder 10.29 van het Vonnis vermelde opgavebevel (hierna: het Opgavebevel) te voldoen.
2.8.
[gedaagden] heeft op 8 september 2023 hoger beroep ingesteld tegen het Vonnis. Deze procedure bij het Gerechtshof Den Haag is aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen in de zaak [bedrijfsnaam 4] / [bedrijfsnaam 5] die mogelijk van invloed is op de opgaveverplichting.
Opgave
2.9.
Ter uitvoering van het Opgavebevel heeft [eiseres] op 6 januari 2024 aan [gedaagden] een e-mailbericht gestuurd met daarbij de volgende Excelbestanden:
[concern 1] overzicht (hierna: de Opgavelijst);
Clients NAW dossiers (hierna: de Opdrachtgeverslijst);
[concern 1] Nett Profit Calculation (hierna: de Nettowinstberekening).
In het e-mailbericht heeft [eiseres] een link opgenomen waarmee [gedaagden] de bij de opgave behorende relevante stukken kan downloaden. Dit betreft 5.474 digitale mappen met daarin 18.802 digitale bestanden, zijnde de digitale dossiers uit de administratie van [eiseres] die horen bij de in de Excelbestanden opgenomen producten (hierna: de Onderliggende Documenten). In het e-mailbericht heeft [eiseres] toegelicht op welke wijze de Excelbestanden tot stand zijn gekomen, welke informatie daarin is opgenomen en welke uitgangspunten, richtlijnen en/of aanknopingspunten zij daarbij heeft gehanteerd.
2.10.
Bij brief van 12 januari 2024 heeft [gedaagden] aan [eiseres] bericht dat de opgave volgens haar niet voldoet aan het Opgavebevel, omdat (samengevat):
  • [eiseres] niet (conform onderdeel 10.29 onder a) per opdrachtgever en per transactie opgave heeft gedaan van de gefaciliteerde diensten;
  • [eiseres] geen foto’s van de betreffende producten (die zij bij inslag en uitslag maakt) heeft verstrekt;
  • [eiseres] haar opgave van de nettowinst (in strijd met onderdeel 10.29 aanhef en onder b van het Vonnis) heeft beperkt tot de in rekening gebrachte
[gedaagden] heeft [eiseres] verzocht om voor 23 januari 2024 de gebreken in de opgave te herstellen
.Tot slot heeft [gedaagden] aangegeven dat zij van mening is dat [eiseres] dwangsommen verbeurt vanaf 7 januari 2024 vanwege het niet doen van een juiste en volledige opgave, maar dat zij (nog) niet voornemens deze dwangsommen op korte termijn aan te zeggen.
2.11.
Bij e-mail van 24 januari 2024 heeft [eiseres] betwist dat de Opgavelijst en de Nettowinstberekening onvolledig en/of onjuist zouden zijn. Verder heeft zij zich bereid verklaard, zonder zich daartoe verplicht te zien, de Opgavelijst ter verduidelijking op specifieke punten aan te vullen en heeft zij door [gedaagden] gestelde vragen met betrekking tot de opgave beantwoord.
2.12.
Bij brief van 16 februari 2024 heeft [gedaagden] nogmaals aangegeven dat [eiseres] niet heeft voldaan aan het Opgavebevel en dat zij hierdoor dwangsommen verbeurt en verzocht om verstrekking van een nieuwe opgave. Voor zover relevant bepaalt deze brief als volgt:

2.11 Uit de beantwoording van de vragen van [gedaagden, sub 1] volgt dat [eiseres] bereid is de opgave “onverplicht” aan te vullen op de volgende punten:
(a) het aangeven of de goederen tijdens opslag bij [eiseres] zijn gedecodeerd;
(b) het aangeven door wie de goederen zijn ingevoerd; en
(c) het uitwerken van een kolom met inhoudsmaten.
2.12
Het spreekt voor zich dat [gedaagden, sub 1] graag een nieuwe opgave ontvangt waar deze punten in zijn uitgewerkt. De punten onder (a) en (b) vloeien voort uit de veroordeling en hadden direct in de eerste opgave verwerkt moeten zijn (en zijn dus niet onverplicht), en het punt onder (c) zal de leesbaarheid van de opgave aanzienlijk vergroten.
2.13.
Bij brief van 5 maart 2024 heeft [eiseres] betwist dat zij dwangsommen heeft verbeurd en gesteld dat zij ruimschoots heeft voldaan aan het Opgavebevel. Voor zover relevant merkt [eiseres] hierin verder het volgende op:

2.4 Zoals hiervoor nogmaals is bevestigd, is [eiseres] bereid om een aangepaste Opgavelijst
te versturen met de informatie zoals genoemd in punten 2 en 3. [eiseres] stelt voor om
daarvoor het format aan te houden van de Excel-lijsten die zijn verstrekt in het kader van de
opgave die [eiseres] heeft gedaan in de zaak tegen uw andere cliënten [bedrijfsnaam 5] .
2.5
[eiseres] vraagt daarom of u namens uw cliënten kunt bevestigen dat ingestemd wordt met ontvangst van een aangepaste Opgavelijst in het format zoals gedaan in de [bedrijfsnaam 5] -zaak en dat na ontvangst van dit document er geen nadere bezwaren bestaan aan de zijde van uw cliënten tegen de vorm en indeling van de Opgavelijst. Na het verkrijgen van uw uitdrukkelijk akkoord zal [eiseres] aan de slag gaan met het maken van deze Opgavelijst (dit om te voorkomen dat haar bestuurder de heer Uijtdehaag thans aan de slag gaat met wederom omvangrijke werkzaamheden en uw cliënten achteraf toch niet akkoord gaan met de aangepaste Opgavelijst).
2.14.
Bij brief van 17 april 2024 heeft [gedaagden] haar standpunten herhaald. Ten aanzien van het aanbod van [eiseres] tot verstrekking van een aangepaste Opgavelijst merkt zij het volgende op:

3.26 In punt 2.4 en 2.5 van uw brief stelt u dat [eiseres] bereid is om een aangepaste opgavelijst te verstrekken met de informatie als genoemd in punt 2.1. sub 2 en 3 van uw brief, onder de voorwaarde dat er daarna voor [gedaagden, sub 1] geen nadere bezwaren zullen bestaan tegen de vorm en indeling van deze opgavelijst. [gedaagden, sub 1] maakt uit dit voorstel op dat [eiseres] nog steeds weigert om een opgave te doen “per transactie” zoals (dictumonderdeel 10.29 van) het Vonnis verordonneert.
3.27
[gedaagden, sub 1] stelt zich op het standpunt dat [eiseres] dwangsommen verbeurt zo lang zij [gedaagden, sub 1] geen opgavelijst heeft verstrekt die voldoet aan de bewoordingen en doelstellingen van het (dictumonderdeel 10.29 van het) Vonnis. Hoewel de aangepaste opgavelijst een verbetering zal zijn ten opzichte van de opgavelijst die [eiseres] eerder heeft verstrekt, acht [gedaagden, sub 1] het niet zinnig om in te stemmen met het voorstel van [eiseres] , want ook de aangepaste lijst zal niet inzichtelijk maken wat de omvang van de onrechtmatig dienstverlening van [eiseres] is geweest, wie bij iedere transactie de opdrachtgever van [eiseres] bij die onrechtmatige dienstverlening zijn geweest, en welke nettowinst [eiseres] bij elke transactie met haar onrechtmatige dienstverlening heeft gemaakt.
Kort geding
2.15.
Op 14 mei 2024 heeft [eiseres] [gedaagden] gedagvaard in kort geding en heeft daarin op grond van artikel 438 lid 2 Rv gevorderd dat de executie van het Vonnis wordt geschorst tot eindarrest is gewezen in hoger beroep. [gedaagden] heeft in reconventie gevorderd om de dwangsommen uit dictumonderdeel 10.30 uit het Vonnis te verhogen en [eiseres] te bevelen tot juiste en volledige opgave, inzage in inbeslaggenomen data en afschrift van diverse bescheiden.
2.16.
Bij vonnis in kort geding van 18 juli 2024 (hierna: het KG-vonnis) [3] heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank de vorderingen in conventie van [eiseres] toegewezen en de vorderingen in reconventie van [gedaagden] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft [gedaagden] verboden om executiemaatregelen te (doen) treffen op grond van dictumonderdeel 10.30 (jo. 10.29) van het Vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere overtreding van dit verbod en heeft daartoe – voor zover hier relevant – het volgende overwogen:

4.20. De slotsom is dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter [eiseres] tijdig en volledig heeft voldaan aan het Opgavebevel van het Vonnis, zodat voldoende aannemelijk is dat [eiseres] in verband daarmee geen dwangsommen heeft verbeurd. Het (dreigen met) innen van dwangsommen door [gedaagden] levert daarom misbruik van (executie)bevoegdheid op. (…)
2.17.
Het KG-vonnis is op 18 juli 2024 aan [gedaagden] betekend.
2.18.
[gedaagden] heeft op 13 augustus 2024 hoger beroep ingesteld tegen het KG-vonnis. [eiseres] heeft verzocht om aanhouding van deze procedure in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen in de zaak [bedrijfsnaam 4] / [bedrijfsnaam 5] die mogelijk van invloed is op de opgaveverplichting.
Namaak [merk 7] -wodka
2.19.
[gedaagden, sub 4] is houdster van onder meer de volgende merkregistraties (hierna: de [merk 7] -merken):
  • het Uniewoordmerk [merk 7] VODKA, geregistreerd op 29 augustus 2017 onder registratienummer 016706434 voor onder meer waren in klasse 33 (wodka);
  • het Uniebeeldmerk zoals hieronder weergegeven, geregistreerd op 20 mei 2011 onder registratienummer 009588864 voor waren in klasse 33 (alcoholhoudende dranken (uitgezonderd bieren), wijnen, spiritualiën, wodka):
2.20.
Op 9 augustus 2022 en 12 september 2022 heeft [gedaagden, sub 4] onder [eiseres] beslag gelegd op in totaal 5.108 dozen met daarin in totaal 30.648 flessen [merk 7] -wodka. De deurwaarder die de goederen in beslag heeft genomen, heeft steekproefsgewijs vastgesteld dat de flessen visuele kenmerken van namaak bevatten, onder meer dat de spelling van de op de etiketten van de flessen weergegeven woorden “ [gedaagden, sub 4] ” en “ [gedaagden, sub 4] ” onjuist is (op de beslagen flessen staat “ [gedaagden, sub 4] ” en “ [gedaagden, sub 4] ”).
2.21.
Bij brief van 10 augustus 2022 heeft [gedaagden, sub 4] [eiseres] verzocht de dienstverlening aan derden met betrekking tot namaak [merk 7] -wodka te staken, informatie te verschaffen over alle namaak [merk 7] -wodka die zij vanaf 1 december 2021 via [plaats] , Georgië, heeft ontvangen en de beslagen flessen vrijwillig en op eigen kosten te vernietigen.
2.22.
Bij e-mail van 11 augustus 2022 heeft [eiseres] aangegeven de dienstverlening aan derden te zullen staken en informatie te zullen verschaffen, maar niet over te zullen gaan tot vernietiging van de beslagen flessen zonder rechterlijk bevel.
2.23.
Op 17 augustus 2022 en 25 november 2022 heeft [eiseres] [gedaagden, sub 4] schriftelijk informatie verstrekt over 263.192 flessen [merk 7] -wodka die bij haar opgeslagen zijn (geweest).
2.24.
[eiseres] heeft [gedaagden, sub 4] foto’s verstrekt van flessen en dozen afkomstig uit verschillende zendingen die onderdeel uitmaken van 180.492 flessen [merk 7] -wodka die bij [eiseres] opgeslagen zijn (geweest). [gedaagden, sub 4] heeft op basis hiervan vastgesteld dat deze flessen en dozen namaakkenmerken bevatten, waaronder spelfouten en valse lotcodes.
2.25.
Op 5 augustus 2022, 9 augustus 2022 en 21 september 2022 heeft de Nederlandse douane in totaal zes containers met flessen namaak [merk 7] -wodka aangehouden die onderweg waren naar [eiseres] . [gedaagden, sub 4] heeft op basis van foto’s die de douane heeft gemaakt vastgesteld dat de onderschepte flessen en dozen diverse namaakkenmerken bevatten, waaronder spelfouten en valse lotcodes.
2.26.
Bij verklaringen van 20 december 2022 en 17 februari 2023 heeft mevrouw
[naam 2] van [gedaagden, sub 4] aan de hand van foto’s en steekproefsgewijs genomen monsters van de inbeslaggenomen flessen bevestigd dat deze visuele kenmerken van namaak bevatten (waaronder voornoemde spelfouten) en dat op de flessen valse lotcodes staan.
2.27.
Bij verklaring van 18 oktober 2022 heeft de heer [naam 3] van IBCS Poland, het bedrijf dat het productmarkeringssysteem bij [gedaagden, sub 4] heeft ontwikkeld, verklaard dat bij [gedaagden, sub 4] elke [merk 7] -fles een unieke lotcode krijgt en het dus onmogelijk is om twee of meer [merk 7] -flessen met dezelfde lotcode te genereren.
2.28.
[eiseres] heeft een aantal in beslag genomen flessen laten onderzoeken door twee onafhankelijke laboratoria, SGS en WD Institute, die de inhoud van deze flessen hebben vergeleken met de inhoud van een authentieke [merk 7] -fles. De uitkomst van dit onderzoek is dat de onderzochte monsters significante verschillen vertoonden met de inhoud van een authentieke [merk 7] -fles.
2.29.
Op 24 december 2024 heeft mevrouw [naam 1] , directeur van GB International, Be Global Trade en KG Spirits Legacy, een verklaring afgelegd in het kader van een procedure bij de rechtbank te Tel Aviv, Israël, onder meer over de rol van [eiseres] bij de handel in namaak [merk 7] -flessen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de dwangsom die volgt uit dictumonderdeel 10.30 (in samenhang met 10.29) van het Vonnis primair opheft, subsidiair vermindert tot nihil, dan wel tot maximaal € 10.000,-, dan wel tot een ander in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [gedaagden] in de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in de onmogelijkheid verkeert om aan de veroordeling (het Opgavebevel uit dictumonderdeel 10.29 van het Vonnis) te voldoen in de zin van artikel 611d Rv. [eiseres] heeft al het mogelijke gedaan om aan het Opgavebevel te voldoen, waardoor de dwangsom zijn functie als financiële prikkel om nakoming te verzekeren heeft verloren. Indien al sprake is van een schending van het Opgavebevel, is die van dermate ondergeschikt belang en/of ongewild, dat dit niet rechtvaardigt dat dwangsommen worden verbeurd.
3.3.
[gedaagden] voert verweer strekkende tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiseres] in de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten.
3.4.
[gedaagden] legt hieraan ten grondslag dat geen reden bestaat voor opheffing of vermindering van de dwangsom omdat geen sprake is van een onmogelijkheid in de zin van artikel 611d Rv. De rechtbank heeft de dwangsom expliciet opgelegd om juiste nakoming van het Opgavebevel te verzekeren. De opgave die [eiseres] heeft gedaan is echter onjuist en onvolledig en voldoet niet aan de inhoud, doel en strekking van het Opgavebevel, terwijl [eiseres] wel in staat is om hieraan te voldoen. Van [eiseres] kan redelijkerwijs meer inspanning en zorgvuldigheid worden verwacht, bijvoorbeeld door informatie te verstrekken over (niet alleen het uitslaan, maar ook) het decoderen, inslaan, opslaan en invoeren van inbreukmakende [gedaagden, sub 1] -producten en de daarbij betrokken opdrachtgevers, door haar werkelijke opdrachtgevers te vermelden, door ontbrekende partijen gedecodeerde producten op te geven, door ontbrekende ‘relevante stukken’ aan te leveren en door inzichtelijk te maken welke onrechtmatige diensten zij aan welke opdrachtgever heeft verleend en welke omzet en winst zij daarmee heeft behaald.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[gedaagden, sub 4] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • veroordeling van [eiseres] tot vergoeding van de schade die [gedaagden, sub 4] heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [eiseres] , op te maken bij staat en te vereffenen zoals voorzien in de wet en/of, zulks ter keuze van [gedaagden, sub 4] , afdracht van de door [eiseres] met het onrechtmatig handelen genoten nettowinst, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • veroordeling van [eiseres] tot het doen van opgave, vergezeld van kopieën van relevante documenten, van alle diensten die [eiseres] heeft verleend met betrekking tot flessen [merk 7] -wodka waarover [eiseres] [gedaagden, sub 4] tot op heden geen informatie heeft verstrekt;
  • veroordeling in de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten.
3.7.
[gedaagden, sub 4] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [eiseres] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW [4] door inbreuk op haar [merk 7] -merk te faciliteren. [eiseres] is van februari tot en met september 2022 als tussenpersoon (logistieke en financiële dienstverlener, fiscaal vertegenwoordiger en (in)direct vertegenwoordiger) betrokken geweest bij het (voor haar klanten) binnenbrengen, opslaan, verhandelen, doorvoeren, invoeren in de EU en/of uitvoeren uit de EU van minimaal 263.192 flessen namaak [merk 7] -wodka. Door dit handelen lijdt [gedaagden, sub 4] schade, die [eiseres] dient te vergoeden. Tevens vordert [gedaagden, sub 4] opgave van informatie waarmee zij de omvang van de inbreuk in kaart kan brengen en de inbreuk (door derden) kan stoppen.
3.8.
[eiseres] voert verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [gedaagden, sub 4] in de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
3.9.
[eiseres] legt hieraan ten grondslag dat de vorderingen niet samenhangen met het geschil dat in deze procedure in conventie centraal staat (de opheffing, opschorting of vermindering van dwangsommen) en dat het in strijd met de beginselen van doelmatigheid en proceseconomie is om in reconventie een geheel andere kwestie aan de orde te stellen. Daarnaast betwist [eiseres] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagden, sub 4] . [eiseres] heeft geen merkinbreuk gefaciliteerd, omdat zij er niet mee bekend was en/of hoefde te zijn dat de klanten aan wie zij haar diensten verleende handelden in namaakgoederen. [eiseres] voert verder aan [gedaagden, sub 4] geen schadevergoeding kan vorderen omdat eventueel onrechtmatig handelen niet aan [eiseres] kan worden toegerekend en niet vaststaat dat [gedaagden, sub 4] schade heeft geleden. Tot slot voert [eiseres] aan dat zij reeds schriftelijke opgave aan [gedaagden, sub 4] heeft gedaan en dat [gedaagden, sub 4] niet heeft onderbouwd dat deze opgave onvolledig zou zijn geweest.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
De rechtbank is (internationaal en relatief) bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in conventie op grond van artikel 611d lid 1 Rv, aangezien zij de rechtbank is die de dwangsommen heeft opgelegd.
4.2.
De rechtbank is internationaal bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in reconventie op grond van artikel 4 Brussel I bis-Vo [5] , aangezien [eiseres] in Nederland is gevestigd. [eiseres] heeft de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist.
in conventie
4.3.
Op grond van artikel 611d lid 1 Rv kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
4.4.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat van onmogelijkheid als bedoeld in artikel 611d lid 1 Rv sprake is indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel, dat wil zeggen als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren, zijn zin verliest. Dit laatste moet, in een geval waarin niet tijdig aan de hoofdveroordeling is voldaan, worden aangenomen indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. De rechter dient dus te onderzoeken of de veroordeelde sinds zijn veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Uitgangspunt moet daarom zijn dat het daarbij in de eerste plaats gaat om de inspanningen en zorgvuldigheid die de veroordeelde sinds de uitspraak aan de dag heeft gelegd. De onmogelijkheid om de hoofdveroordeling uit te voeren moet dan ook in beginsel beoordeeld worden aan de hand van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de hoofdveroordeling. [6]
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] sinds haar veroordeling niet redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan het Opgavebevel te voldoen. [eiseres] verkeert dus niet in de onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen in de zin van artikel 611d lid 1 Rv. De rechtbank zal daarom de vordering tot opheffing dan wel vermindering van de dwangsom afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Opgave per transactie
4.6.
Uit dictumonderdeel 10.29 aanhef en onder a van het Vonnis volgt dat [eiseres] de opgave ‘per transactie’ dient te rangschikken (onderstreping hieronder aangebracht door de rechtbank):
“10.29. veroordeelt [eiseres] om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis aan de raadsman van [gedaagden] , mr. N.W. Mulder, een door haar, voor haar rekening opgestelde, schriftelijke opgave te doen, ter staving daarvan vergezeld van kopieën van relevante documenten (facturen, paklijsten, vrachtbrieven, (e-mail)correspondentie, orders, orderbevestigingen, voorraadadministratie, douanestukken of andere bewijsstukken), per Merk, met ingang van de in 6.159 genoemde data, van:
a. het aantal gedecodeerde Inbreukmakende [gedaagden, sub 1] -producten waarvan zij de inbreuk heeft gefaciliteerd, waaronder in ieder geval begrepen het faciliteren van decoderen, opslag ter verhandeling, invoer en uitvoer op douanestatus T2/AGD dan wel waarbij de producten die douanestatus door invoer hebben verkregen, onder vermelding van volledig(e) adres(sen) en telefoonnummer(s) van de opdrachtgevers,
een en ander gerangschiktper jaar,
per transactie, waaronder ook begrepen de beslagen producten;
4.7.
Volgens [eiseres] bevat de Opgavelijst de opgave als bedoeld in voornoemd dictumonderdeel, terwijl de Opdrachtgeverslijst de NAW-gegevens bevat van de opdrachtgevers die in de Opgavelijst vermeld staan. De Opgavelijst is – zo erkent ook [eiseres] – niet per transactie gerangschikt, maar per ‘uitslagdossier’. De Opgavelijst bevat 2.504 regels aan uitslagdossiers. De Onderliggende Documenten bevatten voor elk van die 2.504 regels aan uitslagdossiers de bijbehorende inslagdossiers, mutatiedossiers en uitslagdossiers. Voor zover in de Opgavelijst gegevens ontbreken (van bijvoorbeeld bij transacties betrokken opdrachtgevers) kunnen deze uit de Onderliggende Documenten gehaald worden, aldus [eiseres] . Ondanks dat de Opgavelijst niet per transactie is gerangschikt, voldoet de Opgavelijst volgens [eiseres] wel aan het Opgavebevel, nu deze beantwoordt aan het doel en de strekking daarvan.
4.8.
De rechtbank leidt uit r.o. 6.159 van het Vonnis af dat het doel en de strekking van het Opgavebevel is dat [gedaagden] in staat wordt gesteld om (i) de omvang van het onrechtmatig handelen van [eiseres] te kunnen vaststellen in verband met de begroting van de schade, (ii) informatie over opdrachtgevers te verkrijgen en (iii) om de door [eiseres] met die handelingen genoten winst te kunnen begroten. De hiervoor genoemde punten (i) en (ii) hebben daarbij betrekking hebben op dictumonderdeel 10.29 aanhef en onder a en het hiervoor genoemde punt (iii) op dictumonderdeel 10.29 aanhef en onder b van het Vonnis. Om te voldoen aan het bepaalde in dictumonderdeel 10.29 aanhef en onder a diende [eiseres] dus een opgave te doen op grond waarvan [gedaagden] de omvang van het onrechtmatig handelen van [eiseres] kon vaststellen en informatie over opdrachtgevers kon verkrijgen. Deze opgave diende ter staving daarvan vergezeld te gaan van kopieën van de relevante documenten.
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de Opgavelijst van [eiseres] (en daarmee de Opdrachtgeverslijst) niet aan dit doel en deze strekking van het Opgavebevel. Op basis van deze stukken kan [gedaagden] immers niet de volledige omvang van het onrechtmatig handelen van [eiseres] vaststellen en krijgt zij niet volledige informatie over de daarbij betrokken opdrachtgevers. [gedaagden] heeft immers onbetwist aangevoerd dat de Opgavelijst geen informatie bevat over de transacties die vooraf zijn gegaan aan de uitslag en de bij die transacties betrokken opdrachtgevers. In het bijzonder betreft het informatie over wie [eiseres] opdracht heeft gegeven het decoderen te faciliteren en wie haar opdracht heeft gegeven inbreukmakende producten in te slaan, op te slaan en in te voeren in de EU. Doordat dergelijke informatie over de opdrachtgevers van deze transacties in de Opgavelijst ontbreekt, ontbreken ook de NAW-gegevens van die partijen in de Opdrachtgeverslijst. Het gevolg van de rangschikking van de Opgavelijst per uitslagdossier in plaats van per transactie is daarmee dat in de Opgavelijst en de Opdrachtgeverslijst relevante informatie ontbreekt om een volledig inzicht in de omvang van het onrechtmatig handelen van [eiseres] en de daarbij betrokken opdrachtgevers te verkrijgen.
4.10.
Als deze informatie al blijkt uit de Onderliggende Documenten, is het naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling van het Opgavebevel geweest dat [gedaagden] deze gegevens daar zelf uit moet halen. Dit volgt uit enerzijds uit de bewoordingen van het Opgavebevel. Zo bepaalt het Opgavebevel dat de opgave ‘ter staving daarvan’ ‘vergezeld’ moet worden van ‘kopieën van relevante documenten’. Hieruit blijkt dat de Onderliggende Documenten geen onderdeel vormen van de opgave zelf; deze stukken vergezellen de opgave immers, met als doel om deze te onderbouwen (te staven). Anderzijds blijkt dit uit de bedoeling van het Opgavebevel, namelijk om [eiseres] – als gevolg van het door de rechtbank in het Vonnis vastgestelde onrechtmatig handelen – te verplichten tot het doen van een inspanning (te weten het verstrekken van een opgave conform het Opgavebevel) om [gedaagden] inzicht te geven in de omvang van haar onrechtmatig handelen en de daarbij betrokken opdrachtgevers. Hierbij past niet dat [eiseres] deze verplichting deels afwentelt op [gedaagden] , in de zin dat [gedaagden] het bedoelde inzicht pas verkrijgt als zij zelf voor ieder van de 2.504 regels aan uitslagdossiers de Onderliggende Documenten moet raadplegen om informatie te krijgen over de aan de uitslag voorgaande transacties en daarbij betrokken opdrachtgevers.
4.11.
De rechtbank volgt [eiseres] verder niet in haar betoog dat deze wijze van rangschikken in het belang van [gedaagden] zou zijn geweest, omdat dit de leesbaarheid van de opgave zou vergroten. Het is niet aan [eiseres] om eenzijdig en in afwijking van het bepaalde in het Vonnis voor [gedaagden] te bepalen wat in haar belang is. Indien zij de opgave op een andere dan de in het Vonnis voorgeschreven wijze had willen aanleveren, had het op haar weg gelegen om hierover vooraf contact met [gedaagden] te zoeken en hiervoor van [gedaagden] haar toestemming te verkrijgen. Dit heeft zij echter niet gedaan.
4.12.
Ook gaat de rechtbank niet mee in het argument van [eiseres] dat het rangschikken van de opgave ‘per transactie’ onevenredig veel tijd en moeite zou kosten voor [eiseres] en zij hier onvoldoende mankracht voor zou hebben. In het Vonnis heeft de rechtbank het verweer van [eiseres] dat de opgave haar disproportioneel zou belasten al afgewezen, omdat de voorgeschreven opgave volgens de rechtbank in het Vonnis aansluit op het daarin vastgestelde onrechtmatig handelen van [eiseres] . Verder heeft de rechtbank in het Vonnis de mogelijk grote omvang van de opgave verdisconteerd in een verlenging van de opgavetermijn, in de zin dat [eiseres] zes maanden heeft gekregen om aan het Opgavebevel te voldoen (zie steeds r.o. 6.160 Vonnis).
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank had van [eiseres] dus verwacht mogen worden dat zij de opgave per transactie zou rangschikken. Dit heeft zij tot op heden niet gedaan, ondanks de bewoordingen van het Opgavebevel en ondanks herhaaldelijke verzoeken van [gedaagden] daartoe. Hierdoor heeft [eiseres] sinds haar veroordeling niet redelijkerwijze al het mogelijke gedaan om aan het Opgavebevel te voldoen. Reeds hierom faalt haar beroep op artikel 611d lid 1 Rv.
Ontbrekende stukken
4.14.
Daarbij komt nog het volgende. [gedaagden] heeft [eiseres] sinds het verstrekken van haar opgave herhaaldelijk gewezen op een groot aantal gegevens althans stukken die ontbreken, zowel voorafgaand aan als in het kader van onderhavige procedure. [eiseres] heeft daarbij ten aanzien van bepaalde gegevens althans stukken ook erkend dat die ontbreken in de Opgavelijst en/of de Onderliggende Documenten – al dan niet als gevolg van een ‘menselijke vergissing’ – en daarbij aangegeven bereid te zijn haar opgave aan te vullen. Verder heeft zij zich ook bereid verklaard om haar opgave op specifieke punten ‘onverplicht’ aan te vullen (zie 2.12 hiervoor). Ondanks deze toezeggingen is het de rechtbank niet gebleken dat [eiseres] de Opgavelijst en/of de Onderliggende Documenten sinds de verstrekking daarvan op 6 januari 2024 op enige wijze heeft aangevuld of aangepast. Dit had wel op haar weg gelegen. Ook om deze reden heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank niet redelijkerwijze al het mogelijke gedaan om aan de veroordeling te voldoen. Dat [gedaagden] niet bereid zou zijn geweest om een aanvullende opgave te ontvangen heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen uit de correspondentie tussen partijen (zie bijvoorbeeld 2.12 hiervoor) en het verhandelde ter zitting. Het door [eiseres] stellen van een voorwaarde aan een aanvulling of aanpassing van de opgave zoals zij bij brief van 5 maart 2024 heeft gedaan (zie 2.13 hiervoor), te weten dat [gedaagden] na ontvangst daarvan geen nadere bezwaren ten aanzien van de opgave mag uiten, past naar het oordeel van de rechtbank niet bij de inspanningen die van haar verwacht mogen worden binnen het kader van artikel 611d lid 1 Rv. Van een onmogelijkheid als bedoeld in voornoemd artikel is naar het oordeel van de rechtbank dus ook om deze reden geen sprake.
Proceskosten
4.15.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagden] in conventie. [gedaagden] maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv en heeft daartoe specificaties van haar advocaatkosten (exclusief BTW) van in totaal € 54.638,66 overgelegd. Partijen hebben gesteld dat 50% van de door hen gemaakte proceskosten kan worden toegerekend aan de procedure in conventie en 50% aan de procedure in reconventie. De rechtbank zal bij de begroting van de proceskosten daarom deze percentages aanhouden.
4.16.
De rechtbank overweegt dat de vordering in conventie weliswaar is gebaseerd op artikel 611d Rv, maar dat die wel onder het toepassingsbereik van artikel 1019h Rv valt. De vordering ziet op de nakoming van een opgaveverplichting die de rechtbank heeft opgelegd naar aanleiding van een gestelde inbreuk op de merkrechten [gedaagden] en heeft aldus betrekking op de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten [gedaagden] . Een dergelijke zaak is in zekere zin ook vergelijkbaar met een executiegeschil, waarop naar vaste jurisprudentie artikel 1019h Rv van toepassing is. [7]
4.17.
Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie normale bodemzaak met een maximumtarief van € 17.500,-. Van dit tarief komt € 8.750,- voor vergoeding in aanmerking, nu 50% van de proceskosten op de conventie ziet. Dit bedrag zal in conventie worden toegekend; het overig gevorderde wordt afgewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 688,- en de nakosten van € 278,- (plus de verhoging van de nakosten in geval van betekening, zoals vermeld in de beslissing), zodat het totaalbedrag uitkomt op
€ 9.716,-.
in reconventie
4.18.
De rechtbank stelt allereerst vast dat [gedaagden, sub 4] op grond van artikel 136 Rv bevoegd is om een eis in reconventie in te stellen en dat – anders dan [eiseres] primair heeft betoogd – uit de wet of anderszins niet volgt dat (inhoudelijke, feitelijke of juridische) samenhang moet bestaan met de vordering in conventie. Dat de vordering in conventie gebaseerd is op artikel 611d Rv maakt het voorgaande niet anders. [gedaagden, sub 4] is aldus ontvankelijk in haar vordering in reconventie.
4.19.
[gedaagden, sub 4] legt aan haar vorderingen tot schadevergoeding althans winstafdracht en opgave ten grondslag dat [eiseres] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door merkinbreuk te faciliteren door douane-, fiscale, vervoers-, inslag-, opslag- en uitslagdiensten te verlenen aan klanten die handelen in namaak [merk 7] -wodka.
4.20.
Van onrechtmatig faciliteren of bevorderen van merkinbreuk door derden op grond van artikel 6:162 BW is sprake indien wordt gehandeld (of nagelaten te handelen) in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW moet worden ingevuld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn in dit verband onder meer de aard van de dienstverlening en de concrete betrokkenheid van de dienstverlener bij de merkinbreuk door een derde, in het bijzonder de mate waarin en de wijze waarop met de verleende diensten merkinbreuk wordt gefaciliteerd of bevorderd. Verder zijn de met de voorgaande omstandigheden samenhangende kennis van de merkinbreuk die bij de dienstverlener aanwezig is en de mate waarin van de dienstverlener kan en mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van (aanwijzingen voor) de inbreukmakende gedragingen (‘
red flags’) van belang. Ook van belang zijn de mogelijkheden (bijvoorbeeld maatregelen) die de dienstverlener ten dienste staan om merkinbreuk te beëindigen en (verdere) inbreuk voorkomen. Het, na in kennis te zijn gesteld van een concrete inbreuk, niet aanwenden van deze mogelijkheden, kan onder omstandigheden onrechtmatig zijn jegens de merkhouder. [8]
4.21.
De rechtbank wijst de door [eiseres] voorgestane benadering, waarin alleen sprake kan zijn van het onrechtmatig faciliteren of bevorderen van merkinbreuk als de dienstverlener subjectieve kennis heeft (hij wist) van een onmiskenbare inbreuk in een concreet geval, als te beperkt van de hand. Deze benadering volgt niet uit de door haar aangehaalde jurisprudentie. Aan hetgeen de Hoge Raad in 1949/1950 in de arresten Staat/Bonda heeft overwogen over de daar aan de orde zijnde indirecte octrooi-inbreuk, kan geen algemene regel worden ontleend voor de mate van wetenschap die vereist is voor het onrechtmatig faciliteren of bevorderen van merkinbreuk door een dienstverlener. Uit de andere door [eiseres] aangehaalde zaken volgt dat het niet benutten van ter beschikking staande mogelijkheden om adequate maatregelen te nemen, na een concrete kennisname van een inbreuk, waarvan de juistheid niet in twijfel behoefde te worden getrokken, onrechtmatig kan zijn. Uit deze rechtspraak kan echter niet worden afgeleid dat een dienstverlener alléén onrechtmatig merkinbreuk kan faciliteren of bevorderen indien hij beschikt over dergelijke concrete subjectieve wetenschap van de inbreuk. [9]
4.22.
Ook indien de dienstverlener in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs moest begrijpen dat sprake was van (door hem gefaciliteerde of bevorderde) merkinbreuk, kan de dienstverlener onrechtmatig handelen jegens de merkhouder. ‘Redelijkerwijs begrijpen’ is méér dan enkel op de hoogte zijn van de mogelijkheid dat inbreuk wordt gepleegd, dat – naar [eiseres] met juistheid aanvoert – in de regel, zonder bijkomende omstandigheden, dus onvoldoende zal zijn. Het komt aan op wat de merkhouder in het concrete voorliggende geval in redelijkheid kan verwachten van de dienstverlener die diensten verleent aan derden die inbreuk maken op de rechten van de merkhouder. Bij de bepaling van hetgeen de dienstverlener redelijkerwijs moest begrijpen kunnen de hem kenbare en te onderkennen aanwijzingen voor merkinbreuk (
red flags) van belang zijn. Ook de gerechtvaardigde belangen van de merkhouder spelen een rol. [10]
4.23.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] niet zelf heeft gehandeld in (namaak) [merk 7] -wodka, maar enkel logistieke diensten heeft verleend met betrekking tot waren waarvan nu gesteld wordt dat deze inbreukmakend zijn. [eiseres] heeft deze waren – die binnenkomen in dozen op pallets/containers – in haar Warehouse ingeslagen, opgeslagen en uitgeslagen. Tijdens de opslag zijn sommige waren van eigenaar gewisseld en/of in de EU ingevoerd, waarbij [eiseres] als (indirect) vertegenwoordiger heeft opgetreden.
4.24.
[gedaagden, sub 4] stelt dat [eiseres] wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat zij diensten verleende met betrekking tot de handel in namaak [merk 7] -wodka en daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gebleken. [eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat zij ermee bekend was of hoefde te zijn dat het om namaakflessen ging. Gebleken is dat dagelijks grote hoeveelheden producten van een groot aantal verschillende opdrachtgevers de Warehouse van [eiseres] binnenkomen voor inslag. De omvang van de goederenstroom en de vereiste snelheid maken het voor medewerkers van [eiseres] onmogelijk om ieder binnenkomend product afzonderlijk te inspecteren. Bij de inslag van producten noteren de medewerkers van [eiseres] bepaalde kenmerken die relevant zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden van [eiseres] , zoals het merk, de hoeveelheid flessen/dozen en het alcoholpercentage. Daarbij kan, zeker in de gegeven omstandigheden, niet van de medewerkers van [eiseres] worden verwacht dat zij bedacht zijn op namaakkenmerken en deze als zodanig identificeren. Dit geldt te meer nu het in dit geval gaat om hele specifieke namaakkenmerken, zoals kleine spelfouten (“ [gedaagden, sub 4] ” in plaats van “ [gedaagden, sub 4] ” en “ [gedaagden, sub 4] ” in plaats van “ [gedaagden, sub 4] ”) en valse lotcodes. Deze specifieke kenmerken vallen bij een globale inspectie van de producten tijdens de inslag niet op en de medewerkers van [eiseres] konden op dat moment niet weten dat deze kenmerken duiden op namaak Beleverde-wodka. Dat op grond van deze kenmerken moet worden vermoed dat het om namaakflessen gaat, is [eiseres] pas bekend geworden op de datum van het beslag (9 augustus 2022). Daarvoor kon dit echter niet als algemeen bekend worden verondersteld. Andere door [gedaagden, sub 4] genoemde
red flags(zoals de ongebruikelijke goederenstromen via onbekende althans fictieve partijen, ontvangst van valse facturen, flessen met dezelfde valse lotcodes) zijn naar het oordeel van de rechtbank ook niet zodanig duidelijke aanwijzingen voor merkinbreuk dat [eiseres] zich hiervan bewust had moeten zijn. Bij het achteraf nader bestuderen en het naast elkaar leggen van facturen en andere omstandigheden kunnen wellicht onregelmatigheden worden ontdekt, maar daaruit volgt niet dat die onregelmatigheden door een tussenpersoon als [eiseres] meteen gesignaleerd hadden moeten worden. Van handelen door [eiseres] in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt is dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
4.25.
Nu niet vast is komen te staan dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, zal de rechtbank de vorderingen van [gedaagden, sub 4] afwijzen.
Proceskosten
4.26.
[gedaagden, sub 4] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] in reconventie. [eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. De vordering in reconventie ziet echter niet op handhaving van IE-rechten als bedoeld in artikel 1019 Rv. De aan [eiseres] verweten gedragingen zijn immers niet gebaseerd op merkinbreuk, maar op het onrechtmatig faciliteren daarvan. De advocaatkosten van [gedaagden, sub 4] zullen daarom conform het in deze toepasselijke liquidatietarief worden begroot. Aangezien 50% van de door partijen gemaakte proceskosten aan de procedure in reconventie moeten worden toegerekend, worden de advocaatkosten van [gedaagden, sub 4] begroot op een bedrag van (50% x (2 x € 614)) = € 614,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 688,- en de nakosten van € 278,- (plus de verhoging van de nakosten in geval van betekening, zoals vermeld in de beslissing), zodat het totaalbedrag uitkomt op € 1.580,-. Dit bedrag wordt toegewezen; het overig gevorderde wordt afgewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 9.716,-, te vermeerderen met € 92,- aan nakosten in geval van betekening, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen af;
5.4.
veroordeelt [gedaagden, sub 4] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.580,-, te vermeerderen met € 92,- aan nakosten in geval van betekening, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die bedragen te rekenen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
in conventie en reconventie
5.5.
verklaart de onder 5.2 en 5.4 uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel, rechter, bijgestaan door mr. J.M.N. van Limpt-Schrover, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Voetnoten

1.Art. 4.9 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken
2.Rechtbank Den Haag 14 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8497
3.Rechtbank Den Haag 18 juli 2024, ECLI:RBDHA:2024:11308
4.Burgerlijk Wetboek
5.Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
6.Hoge Raad 26 maart 2010, ECLI:HR:2010:BL0004
7.Zie onder meer Hof Den Haag 29 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9443 (X/Thuiskopie) en Hof Amsterdam 5 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1863.
8.Zie onder meer het Vonnis, r.o. 6.32 en rechtbank Den Haag 17 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2532, r.o. 4.20
9.Het Vonnis, r.o. 6.33 en rechtbank Den Haag 17 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2532, r.o. 4.21
10.Het Vonnis, r.o. 6.34 en rechtbank Den Haag 17 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2532, r.o. 4.22