Eisers, van Syrische nationaliteit, dienden op 14 oktober 2024 asielaanvragen in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze niet-ontvankelijk omdat de Sloveense autoriteiten hen sinds 28 juli 2017 internationale bescherming verlenen. Eisers betoogden dat zij financieel niet rondkomen in Slovenië en dat de autoriteiten geen concrete hulp bieden, waardoor het vertrouwensbeginsel niet zou moeten gelden.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de informatie uit het Eurodac-systeem, waarin bevestigd wordt dat eisers internationale bescherming genieten in Slovenië. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico lopen op schending van fundamentele rechten bij terugkeer, mede gelet op hun verblijf, werk, onderwijs en toegang tot medische zorg in Slovenië.
De rechtbank wijst erop dat het aan eisers is om hun rechten als statushouders in Slovenië te effectueren en dat zij onvoldoende hebben aangetoond dat dit onmogelijk is. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de asielaanvragen niet-ontvankelijk verklaard.