ECLI:NL:RVS:2022:2644
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening voor Slovenië
De vreemdeling met de Eritrese nationaliteit heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Slovenië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. Centraal staat het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij wordt aangenomen dat de aangezochte lidstaat de asielprocedure adequaat uitvoert zonder schending van fundamentele rechten.
De vreemdeling stelde dat Slovenië door pushbackpraktijken en bilaterale overeenkomsten vreemdelingen, waaronder Dublinclaimanten, onterecht zou overdragen aan andere lidstaten zonder asielprocedure, wat risico op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 EVRM Pro inhoudt. De Afdeling concludeert echter dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Dublinclaimanten in Slovenië deze risico's lopen, mede gelet op het oordeel van het Sloveense Constitutionele Hof en garanties van de Sloveense autoriteiten.
De Afdeling wijst verder op jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die het toetsingskader voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel bepalen. Gezien de feiten en overgelegde rapporten is het vertrouwen in Slovenië gerechtvaardigd en is geen aanleiding voor nader onderzoek of het stellen van prejudiciële vragen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.