ECLI:NL:RBDHA:2025:21602
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser heeft op 5 april 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend, welke door de minister op 4 juli 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de zitting op 14 oktober 2025 was eiser en zijn gemachtigde afwezig, waarna het onderzoek werd gesloten.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiser nog procesbelang had, mede omdat de minister had gemeld dat eiser op 11 juli 2025 met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en dat niet duidelijk was waarom de vertrekmelding was gedaan, maar dit was onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
De rechtbank oordeelde dat uit de gegevens bleek dat eiser geen contact meer onderhoudt en geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. De stelling dat de minister geen deugdelijk onderzoek had gedaan, leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank heeft de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.