ECLI:NL:RBDHA:2025:21640

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
NL25.33203 NL25.33204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen gegrond tegen niet tijdig beslissen op asielaanvragen met oplegging dwangsom

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun opvolgende aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvragen op 21 juni 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Ondanks ingebrekestelling op 7 juli 2025 heeft de minister niet binnen de wettelijke termijn besloten.

De rechtbank oordeelt dat de beroepen gegrond zijn en vernietigt het besluit van niet tijdig beslissen. De minister krijgt een termijn van zestien weken om alsnog te besluiten, waarbij binnen acht weken na verzending van het vonnis nadere gehoren moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna de besluiten bekendgemaakt moeten worden.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag overschrijding van de termijn. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseressen van €453,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De rechtbank ziet de zaken als samenhangend en beperkt de dwangsom en vergoeding tot één zaak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, legt de minister een termijn op om alsnog te beslissen en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.33203 en NL25.33204

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres 1] en [eiseres 2] ,V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] , eiseressen (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiseressen hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun (opvolgende) aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hiema: aanvragen).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet warden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Zijn de beroepen van eiseressen gegrond?
3. De minister heeft de aanvragen op 21 juni 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beslissen.3 Eiseressen hebben de minister op 7 juli 2025 in gebreke gesteld. Eiseressen hebben meer dan twee weken na de ingebrekestellingen beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. De beroepen zijn kennelijk gegrond.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaak is dit aan de orde.
5. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiseressen nog niet zijn gehoord omtrent hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak gehoren omtrent de asielmotieven van eiseressen moet afnemen en binnen acht weken daama de besluiten op de aanvragen bekend moet maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van€ 15.000,-.
Heefi de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
7. Eiseressen hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
8. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.6 Dit is slechts anders als de
minister v66r 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist en de minister eveneens v66r die datum in
gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaken niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eiseressen gelijk krijgen en dat de minister binnen zestien weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
I 0. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eiseressen ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseressen een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed
kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 0,5).
4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tij d/Paginas/extra­dwangsom.aspx.
6 Stb. 2025, 96.
11. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eiseressen zijn familieleden, hebben dezelfde gemachtigde, hebben bun aanvragen en beroepschriften gelijktijdig ingediend en hebben dezelfde asielgronden. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in een zaak zou warden toegekend.7 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.8

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vemietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak nadere gehoren af te nemen en binnen acht weken na die nadere gehoren besluit op de aanvragen bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eiseressen een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-, toe te kennen in zaaknummer NL25.33203;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van€ 453,50, toe te kennen in zaaknummer NL25.33203.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
7 Artikel 3 van Pro het Bpb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u bet niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit beet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de