ECLI:NL:RBDHA:2025:21714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
NL25.54981
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling en de rechtmatigheid van de maatregel

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 17 november 2025 uitspraak gedaan in een vervolgberoep tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie op 3 november 2025 aan eiser heeft opgelegd. De maatregel is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en is nog steeds van kracht. De rechtbank heeft eerder, op 1 september 2025, deze maatregel getoetst en vastgesteld dat deze tot dat moment rechtmatig was. De minister heeft de rechtbank op de hoogte gesteld van de voortgang van de bewaring, wat gelijkgesteld wordt met een door eiser ingesteld beroep.

De rechtbank heeft op 13 november 2025 het vooronderzoek gesloten en besloten dat een zitting niet nodig was. In de overwegingen van de rechtbank wordt benadrukt dat als de maatregel in strijd is met de Vw 2000 of niet gerechtvaardigd is, het beroep gegrond verklaard kan worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser niet heeft gereageerd op de voortgangsrapportage en geen beroepsgronden heeft ingediend, waardoor er geen reden is om de maatregel onrechtmatig te achten.

Uiteindelijk concludeert de rechtbank dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, en mr. B. Göbel, griffier, en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54981

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 3 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank, op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst bij uitspraak van 1 september 2025. [1]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 13 november 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 september 2025 (in de zaak NL25.39284) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 26 augustus 2025).
Is het voortduren van de maatregel onrechtmatig?
3. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gereageerd op de voortgangsrapportage en dat eiser geen beroepsgronden heeft ingediend. In zoverre ziet de rechtbank geen reden om het voorduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. De rechtbank ziet – ambtshalve – in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).