ECLI:NL:RBDHA:2025:16500

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2025
Publicatiedatum
5 september 2025
Zaaknummer
NL25.39284
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 onder a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije

De rechtbank Den Haag heeft op 1 september 2025 het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring beoordeeld die op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd.

Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn vanwege onduidelijkheid over de voortgang van de aanvraag van een laissez-passer en dat zijn medische situatie (MS) niet voldoende in de belangenafweging is betrokken. De rechtbank stelde vast dat volgens vaste rechtspraak zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt en dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag om een laissez-passer van 24 juli 2025 in behandeling is. De beoordeling of eiser fit to fly is, dient kort voor uitzetting plaats te vinden.

Verder concludeerde de rechtbank dat de minister bij de belangenafweging voldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser, waaronder het gebruik van medicatie en injecties, de medische zorg in het detentiecentrum en de mogelijkheid tot overplaatsing naar een regulier ziekenhuis.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel rechtmatig is en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 11 augustus 2025, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. H.K. Westerhof, als waarnemer van de gemachtigde van eiser (beide via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. In de maatregel van bewaring staat dat er op 31 oktober 2024 een aanvraag voor een laissez-passer is ingediend. Over de voortgang daarvan zit niets in het dossier. Als er dan na tien maanden nog een maatregel wordt opgelegd, kan niet gezegd worden dat de maatregel niet onnodig lang zal duren en eiser niet in zijn belangen wordt geschaad, zoals in de maatregel is verwoord. Verder zit bij de stukken ook een aanvraag om een laissez-passer van 24 juli 2025. Dat roep vragen op, gelet op de al eerder gedane aanvraag. En ook over de voortgang van deze aanvraag is geen informatie. Verder wordt er gezegd dat de Algerijnse autoriteiten laissez-passers afgeven, maar onduidelijk is wat de huidige stand van zaken is ten aanzien van het aantal laissez-passers dat wordt afgegeven en wat de doorlooptijd daarvan is. Ook is het de vraag of eiser, gelet op zijn medische situatie, wel fit to fly is en dus of hij uitzetbaar is dan wel kan reizen. Dit kan nu al door de minister worden beoordeeld, omdat eiser MS heeft, wat een chronische aandoening is. Zijn situatie zal dus niet verbeteren.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [1] De enkele stelling dat onduidelijk is wat de huidige stand van zaken is ten aanzien van het aantal laissez-passers dat wordt afgegeven en de doorlooptijd daarvan, is onvoldoende om hier inmiddels anders over te oordelen. Ook in het specifieke geval van eiser is er geen aanleiding om aan te nemen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat daar waar in de maatregel staat dat op 31 oktober 2024 een aanvraag is gedaan om een laissez-passer dit foutief is vermeld. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. De minister heeft namelijk toegelicht dat zij het systeem van de Dienst Terugkeer & Vertrek heeft geraadpleegd en dat daaruit blijkt dat er geen eerdere aanvraag om een laissez-passer is gedaan dan op 24 juli 2025. Deze aanvraag bevindt zich ook bij de stukken. Verder komt de rechtbank een aanvraag om een laissez-passer op 31 oktober 2024 ook onlogisch voor omdat uit de stukken ook blijkt dat op 4 november 2024 een voornemen is uitgebracht op de eerste asielaanvraag van eiser en vervolgens op 6 november 2024 daarop een afwijzend besluit is genomen. Dat ondersteunt de door de minister ter zitting gegeven toelichting. Dat zich bij de stukken geen informatie bevindt omtrent de voortgang van de aanvraag om een laissez-passer van 24 juli 2025 is onvoldoende om te oordelen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het geval van eiser ontbreekt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat zij de regievoerder over de voortgang hierover heeft bevraagd maar nog wacht op een antwoord. De rechtbank neemt daarom aan dat de aanvraag nog in behandeling is. Dat de minister tijdens de zitting geen inschatting kan geven van de vermoedelijke doorlooptijd van de afgifte van een laissez-passer is ook geen aanleiding om aan te nemen dat eiser niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet.
Of eiser fit to fly is, moet, zoals de minister ter zitting terecht heeft opgemerkt, beoordeeld worden kort voor het moment van de feitelijke uitzetting. De minister is niet gehouden om dat al te beoordelen in het kader van het opleggen van de maatregel van bewaring. Dat eiser stelt te leiden aan MS maakt dat niet anders. Dat is onvoldoende om te concluderen dat niet aan de voorwaarden voor uitzetting zal worden voldaan.
Is de medische situatie van eiser betrokken in de belangenafweging?
5. Eiser voert aan dat bij de belangenafweging ten onrechte zijn medische situatie - hij heeft MS - niet is meegewogen.
5.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de maatregel van bewaring volgt dat daarbij rekening is gehouden met de medische omstandigheden van eiser, waaronder dat eiser stelt dat hij MS heeft en dat hij daarvoor eerder medicatie heeft gekregen alsook dat hij daarvoor een injectie gebruikt. Ook is rekening gehouden met de medische informatie zoals die volgt uit de ambtelijke informatie van het COA. Daarbij is terecht gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 23 april 2025 waarin staat dat eiser uit eigen beweging naar Duitsland is vertrokken alvorens zijn geplande afspraken in het ziekenhuis, in november en december 2024, af te wachten, waardoor niet valt in te zien dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland in de vorm van uitstel van vertrek om hier zijn medische situatie te laten onderzoeken en eventueel behandelen. [2] Verder is niet gebleken dat eiser onder behandeling staat in verband met zijn medische situatie. Daarnaast is er terecht rekening mee gehouden dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is bijgestaan door een medisch verpleegkundige, dat het uitgangspunt is dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijk is aan de zorg in de vrije maatschappij en dat als de zorg niet voldoende kan worden gegeven, eiser wordt overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis. Ook blijkt uit de stukken dat eiser in het detentiecentrum is gezien door een arts, hetgeen door eiser ter zitting is bevestigd. Gelet op het voorgaande heeft de minister voldoende rekening gehouden met de medische situatie van eiser.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de minister geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
2.Rb. Den Haag (zp Utrecht) 23 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13286
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.