ECLI:NL:RBDHA:2025:21779

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
NL25.54893
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak met betrekking tot bewaring en uitzetting

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 17 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster, een vreemdeling, had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij haar een maatregel van bewaring was opgelegd, samen met een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Verzoekster verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat zij het beroep tegen deze besluiten in Nederland kon afwachten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoekster om aanwezig te zijn bij de zitting zwaarder weegt dan het belang van de minister om verzoekster uit te zetten naar Colombia. De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorste het bestreden besluit, waardoor de uitzetting van verzoekster werd verboden totdat er uitspraak was gedaan op het beroep. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 907. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54893

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

[V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.F. Ziabutt),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2025 heeft verweerder aan verzoekster de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde datum tegen verzoekster een terugkeerbesluit uitgevaardigd, alsmede een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Verzoekster heeft op 9 november 2025 tegen de maatregel van bewaring en tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod beroep ingesteld. Bovendien heeft verzoekster op dezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verzoekster het beroep tegen de aan haar opgelegde maatregel, terugkeerbesluit en inreisverbod in Nederland mag afwachten.
Op 13 november 2025 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat hij voornemens is om haar op 15 november 2025 om 11:20 uur uit te zetten naar Colombia.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3. Verzoekster heeft verzocht om een voorlopige voorziening treffen, omdat zij de zitting van 19 november 2025, waar het door haar ingediende beroep tegen de maatregel van bewaring, het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt behandeld, wil bijwonen. Verder meent verzoekster dat met haar uitzetting sprake zal zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM [2] en dat bij de oplegging van het terugkeerbesluit geen rekening is gehouden met haar gezinsleven in Spanje. Verzoekster vormt immers een gezin met haar in Spanje verblijvende tante en diens partner en dochter. Verzoekster verblijft zelf sinds maart/april 2025 bij haar tante in Spanje en is volledig geïntegreerd in het Spaanse leven en in het gezinsleven. Verzoekster heeft ook stappen gezet om in Spanje een verblijfsvergunning te krijgen. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster verschillende bewijsstukken overgelegd. Verzoekster stelt bovendien dat bij een beroep op artikel 8 van het EVRM niet alleen mag worden volstaan met een vaststelling of al dan niet beschermenswaardig familieleven bestaat, maar dient er ook een belangafweging te worden verricht door verweerder. Volgens verzoekster dient de belangenafweging in haar voordeel uit te vallen. Verder meent verzoekster dat zij niet is bijgestaan door een gemachtigde tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4. In artikel 5, vierde lid, van het EVRM staat dat een ieder, die door detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat een ieder die is gedetineerd onverwijld voor een rechter moet worden geleid.
5. Hieruit vloeit voort dat verzoekster het recht heeft om in persoon op een zitting gehoord te worden indien de rechtbank de rechtmatigheid onderzoekt van de oplegging en voortduring van de maatregel van bewaring. Verzoekster wordt door de rechter op zitting gehoord, tenzij verzoekster zelf aangeeft geen gebruik van dit recht te willen maken of indien verzoekster vanwege persoonlijke omstandigheden of andere organisatorische redenen niet in staat is om in persoon te worden gehoord. Het recht om door de rechter in persoon te worden gehoord op een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel heeft vanuit het oogpunt van rechtsbescherming een fundamenteel karakter. [3]
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt in deze zaak het belang van verzoekster om bij de behandeling van haar beroep tegen de maatregel van bewaring, het terugkeerbesluit en het inreisverbod aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoekster daarvóór al uit te zetten naar Colombia. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat verzoekster, gelet op het voorgaande, in de gelegenheid moet worden gesteld op de zitting aanwezig te zijn. Hierbij is van belang dat uit het digitale dossier blijkt dat verweerder op 11 november 2025, dus ná het instellen van beroep door eiseres op 9 november 2025, een vlucht voor haar heeft geboekt voor 15 november 2025 om 11:20 uur. Verweerder had echter kunnen weten dat verzoekster spoedig, uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift [4] , zou worden gehoord. Dat betekent dat verweerder bij het inplannen van de vlucht rekening had kunnen en ook moeten houden met het ingestelde beroep. Verder is niet gebleken van praktische of organisatorische redenen om de uitzetting van verzoekster vóór de bewaringszitting al te laten plaatsvinden. De rechtbank benadrukt dat elke bewaring een ernstige inmenging vormt op het recht op vrijheid, zodat de rechtsbescherming van hoog niveau dient te zijn. [5] Hieronder valt onder meer het recht van verzoekster om door de rechter in persoon te worden gehoord op haar beroep tegen die maatregel die verzoekster van haar vrijheid ontneemt. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening op de hierna te melden wijze als kennelijk gegrond toewijzen.
7. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit en verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen tot de uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring, het terugkeerbesluit en het inreisverbod bekend is gemaakt;
- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ter hoogte van € 907.
Deze uitspraak is gedaan op 17 november 2025 door mr. S.E. van de Merbel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verweerder op 14 november 2025 om 16:24 uur en de gemachtigde van verzoekster op 14 november 2025 om 16:32 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:991.
4.Op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw.
5.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.