ECLI:NL:RBDHA:2025:21828

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
NL25.29712
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de niet-ontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van Uganda als veilig derde land

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 12 november 2025 wordt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag van eiser beoordeeld. Eiser, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, heeft op 12 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. R. Bekker, heeft deze aanvraag op 4 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard, stellende dat Uganda als veilig derde land voor eiser kan worden beschouwd. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak op 13 oktober 2025 behandeld. De minister heeft betoogd dat eiser een band heeft met Uganda, omdat hij daar als erkend vluchteling geregistreerd staat en eerder een Ugandees reisdocument heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Uganda een veilig derde land is voor eiser, en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij niet kan worden toegelaten tot Uganda. De rechtbank concludeert dat de minister de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

De rechtbank benadrukt dat het aan eiser is om aan te tonen dat de door de minister geschetste mogelijkheden voor toegang tot Uganda niet aanwezig zijn. Eiser heeft niet voldoende bewijs geleverd om zijn stellingen te onderbouwen, en de rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Uganda voor eiser een veilig derde land is. De uitspraak is openbaar gemaakt op 12 november 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29712
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R. Bekker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 4 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
De minister heeft op 4 juli 2025 een aanvullend besluit genomen over de door eiser ingediende ingebrekestelling.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep ziet gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede op het aanvullend besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat Uganda voor eiser als veilig derde land wordt beschouwd. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser een band heeft met Uganda, omdat hij daar erkend vluchteling is. Daarbij komt dat eiser eerder bij zijn aanvraag voor zijn studievisum in Nederland een kopie van een Ugandees reisdocument heeft overgelegd. Daarnaast stelt de minister dat aannemelijk is dat eiser opnieuw tot Uganda zal worden toegelaten. De minister wijst op het reisdocument en stelt dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich bij de Ugandese autoriteiten meldt om een verlenging aan te vragen. Ook is het gebleken dat een vluchteling theoretisch gedurende de geldigheidsperiode van het reisdocument buiten Uganda kan zijn, zonder dat dit noodzakelijkerwijs invloed heeft op zijn vluchtelingenstatus en is het mogelijk om de vluchtelingenstatus bij terugkeer te reactiveren. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat Uganda voor eiser een veilig derde land is. Daarbij betrekt de minister een aantal informatiebronnen zoals genoemd in artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV), waaruit blijkt dat vreemdelingen in overeenstemming met artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) worden behandeld. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Uganda niet volgens die beginselen zal worden behandeld.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de minister een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor een vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. De minister kan tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, indien deze vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor hem redelijk is om daar naartoe te gaan. Dit kan het geval zijn als deze vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond, maar kan ook worden afgeleid uit andere individuele omstandigheden, zoals het hebben van een partner of andere familie in dat land. Het is daarbij, zoals volgt uit paragraaf C2/6.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc), in beginsel aan de minister om aan de hand van de verklaringen van een vreemdeling en eventuele overgelegde of anderszins verkregen documenten aannemelijk te maken dat deze vreemdeling een band heeft met het derde land. Het is vervolgens aan deze vreemdeling om dat te weerleggen.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak1 moet de minister daarnaast aannemelijk maken dat deze vreemdeling wordt toegelaten tot dat land en moet zij daarvoor aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van deze vreemdeling, redenen aandragen waarom (weder)toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan de desbetreffende vreemdeling om met tegenbewijs te komen waarmee hij voldoende aannemelijk maakt dat de door de minister geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn geval niet aanwezig zijn. Daarnaast is het aan deze vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land, tenzij de minister niet van hem mag verlangen dat hij opnieuw probeert toegang tot en verblijf in dat land te krijgen.
1. Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 17 april 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2023:1480).
Band met Uganda
5. Volgens eiser heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser een band heeft met Uganda. De minister moet bij de beoordeling daarvan het relaas van eiser als uitgangspunt nemen. Eiser heeft verklaard dat het geen bewuste keuze was om naar Uganda te reizen. Het enkele feit dat hij op grond van zijn verblijfsrecht in Uganda allerlei rechten had, maakt nog niet dat hij een band heeft met Uganda, vooral gezien hij niets of niemand kende en daar geen scholing of werk heeft gehad. Daarnaast stelt eiser dat de minister niet zonder nader onderzoek van het reisdocument kan uit gaan. Op basis van eisers verklaring daarover moeten er namelijk vraagtekens worden geplaatst bij de vraag of het een authentiek en bevoegd afgegeven document is.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister, ondanks dat de fotokopie van het reisdocument niet op echtheid kan worden onderzocht, ervan uitgaan dat eiser een band heeft met Uganda. Erkende vluchtelingen in Uganda hebben recht op een identiteitskaart voor vluchtelingen, reisdocumenten, onderwijs en werk.2 Eiser heeft aanvankelijk zelf verteld en vervolgens niet betwist dat hij erkend is als vluchteling, waardoor het aannemelijk is dat hij een reisdocument zou hebben ontvangen. Daarnaast mag de minister ook op basis van eisers verklaringen ervan uitgaan dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend, een status heeft gekregen en vervolgens het reisdocument heeft ontvangen. De minister heeft er in dat kader op kunnen wijzen dat eiser zijn verklaringen over het verkrijgen van het reisdocument na het gehoor heeft gewijzigd. Eiser heeft in de correcties en aanvullingen verklaard dat hij het reisdocument niet zelf heeft aangevraagd bij de Ugandese regering, maar via mensen die vluchtelingen accepteren. In de zienswijze stelt eiser dat het niet vaststaat dat het een authentiek document is. Deze verklaringen stroken niet met eisers verklaring tijdens het nader gehoor waarin hij verklaard dat het document niet vals is en hij dat heeft gekregen van de Ugandese autoriteiten, omdat hij een vluchteling was. De minister heeft op basis van eisers verklaring dat hij als vluchteling in Uganda verbleef en de kopie van het reisdocument dan ook aannemelijk gemaakt dat eiser een band heeft met Uganda. Het is vervolgens aan eiser om dat te weerleggen. Dat het geen bewuste keuze zou zijn geweest om naar Uganda te reizen, eiser niets of niemand kende en daar geen scholing of werk heeft gehad, is daartoe onvoldoende.
Aannemelijkheid toelating
6. Eiser stelt verder dat hij niet tot Uganda zal worden toegelaten omdat hij het originele reisdocument is verloren en zijn verblijfsrecht vanwege het langdurig verblijf buiten Uganda is vervallen. Dat het mogelijk is om toch naar Uganda te reizen en de vluchtelingenstatus te reactiveren is een aanname en is geen zorgvuldige basis voor het besluit van de minister.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zal worden toegelaten tot Uganda. Daarbij acht zij van belang dat het toelatingsvereiste voor veilige derde landen niet behelst dat op voorhand vast moet staan dat een vreemdeling tot het derde land zal worden toegelaten. Wel moet de minister gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader redenen aangeven op grond waarvan het aannemelijk is dat de vreemdeling zal worden toegelaten. De minister mag er in onderhavig geval, gelet op de eerdere toegang tot en verblijfstatus in Uganda, vanuit gaan dat eiser in beginsel opnieuw zal worden toegelaten.3 Daarnaast heeft de minister terecht gewezen op de brief van Vluchtelingenwerk van 2 juli 2025, waarin staat dat een vluchteling gedurende de volledige geldigheidsperiode van het reisdocument buiten het land zijn, zonder dat dit invloed heeft op de vluchtelingenstatus in Uganda. Verder blijkt uit de brief dat het mogelijk is om de vluchtelingenstatus bij terugkeer te reactiveren als deze is gedeactiveerd tijdens afwezigheid. In tegenstelling tot wat eiser in beroep stelt, is de stelling van de minister dat het mogelijk is om de vluchtelingenstatus te reactiveren daarom niet slechts een ongemotiveerde aanname. Eiser heeft de stelling, dat hij niet zal worden toegelaten tot Uganda omdat hij het originele reisdocument is verloren en zijn verblijfsrecht vanwege het langdurig verblijf buiten Uganda is vervallen, niet onderbouwd met bijvoorbeeld landeninformatie. Bovendien is niet gebleken dat eiser een poging heeft gedaan om toegang te krijgen tot Uganda. Het is dan ook niet gebleken dat het niet mogelijk is om toegang te verkrijgen. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden tot toegang niet aanwezig zijn.
2 Zie ECLI:NL:RBDHA:2023:9412 en het rapport van TOELT: Uganda: Informatie ter beoordeling van ‘veilig derde land’, p.12.
Uganda veilig derde land voor eiser
7. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat Uganda voor hem geen veilig derde land is. De minister heeft volgens eiser ten onrechte zijn relaas in de zienswijze over de bedreigingen door de Eritrese overheid in Uganda niet betrokken, omdat hij daar in een eerder stadium niets over heeft gezegd. Dat geldt ook voor de verklaringen over de corruptie en onveiligheid. Dat eiser heeft verklaard geen persoonlijke problemen te hebben ervaren, sluit niet uit dat hij smeergeld heeft moeten betalen. Eiser heeft de vraag zo begrepen dat hem gevraagd werd of hij vervolgd is door de overheid. Het ging om individuele ambtenaren die hem om geld vroegen voordat ze hem weer lieten gaan. Verder stelt eiser dat er in Uganda een situatie van verregaande materiele deprivatie is ontstaan die ook geldt voor eiser indien hij zou moeten terugkeren. Hij heeft in Uganda niets of niemand om op terug te vallen en er zijn al 8,7 miljoen mensen die daar in armoede leven. Dat eiser wel werk zou kunnen vinden om zich daaraan te kunnen onttrekken is speculatie.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de minister eisers relaas in de zienswijze over de bedreigingen door de Eritrese overheid in Uganda, de corruptie en onveiligheid niet zonder meer heeft verworpen, omdat eiser daar niet eerder over zou hebben verklaard. De minister heeft in het bestreden besluit niet ten onrechte gesteld dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom en door wie eiser zou worden bedreigd. Met de enkele, niet nader toegelichte, stelling van eiser dat hij bedreigd is door personen gelieerd aan het Eritrese regime, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Uganda vreest voor het Eritrese regime of gedwongen zal worden om terug te keren naar Eritrea. Met betrekking tot de door eiser gestelde wijdverbreide corruptie heeft de minister, naast de omstandigheid dat niet valt in te zien waarom eiser daar niet eerder over heeft verklaard, ook betrokken dat dit haaks staat op de verklaring dat hij geen problemen heeft ondervonden met de Ugandese autoriteiten en dat de stelling dat eiser meerdere keren is aangehouden niet nader is toegelicht. Dat eiser de vraag zo heeft begrepen dat hem werd gevraagd of hij vervolgd is door de overheid, maakt dat niet anders. Eiser heeft immers verklaard dat het functionarissen van de Ugandese veiligheidsdienst waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de door eiser in de zienswijze aangevoerde omstandigheden voldoende betrokken in de besluitvorming en heeft de minister zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de zienswijze op deze punten niet slaagt. Verder betwist de minister niet dat er onder andere veel armoede is.
Echter, eiser heeft verklaard dat hij de mogelijkheid had om een huis te huren. Daarnaast is uit de verklaringen van eiser niet gebleken dat hij een beroep heeft gedaan op de gezondheidszorg of op onderwijs in Uganda, waardoor niet kan worden aangenomen dat geen ondersteuning vanuit de overheid wordt geboden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat het niveau van de voorzieningen in Uganda zodanig is dat een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM dreigt.

Conclusie en gevolgen

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat Uganda een veilig derde land is voor eiser. De minister heeft eisers asielaanvraag daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.