ECLI:NL:RBDHA:2025:21839
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk
Eiser, van Beninse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de Minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser maakte bezwaar tegen deze beslissing en voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet mag worden toegepast vanwege tekortkomingen in het Franse opvangsysteem en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder gedwongen drugsrondbrengen, seksueel misbruik, mensenhandel en psychische problemen.
De rechtbank oordeelde dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser slaagde er niet in met concrete, objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest. De persoonlijke omstandigheden en het AIDA-rapport boden onvoldoende grond om af te wijken van het vertrouwensbeginsel.
Verder was er geen reden voor de minister om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag aan zich te trekken. De medische situatie van eiser was onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens die een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering bij overdracht zouden aantonen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en bevestigde het besluit van de minister om de aanvraag niet in behandeling te nemen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.