Uitspraak
1.[verzoekers sub 1] ,
2.
[verzoekers sub 2],
3.
[verzoekers sub 3],
[verzoekers sub 4],
1.Het verloop van de procedure
2.De zaak in het kort
3.De beoordeling van het verzoek tot afgifte van het advies
NJ1986, 173).
Rechtbank Den Haag
In deze zaak hebben verzoekers, bestaande uit meerdere personen, een verzoek ingediend om inzage in een vertrouwelijk advies van de landsadvocaat van 3 maart 2011. Dit advies betreft de juridische en beleidsmatige legitimiteit van de Wet toekomst pensioenen (Wtp), die per 1 juli 2023 in werking is getreden en die gevolgen heeft voor de pensioenrechten van ex-werknemers. Verzoekers stellen dat de Staat door het 'invaren' van opgebouwde pensioenrechten inbreuk maakt op hun individuele eigendomsrecht en dat deze inbreuk onrechtmatig is. Ze hebben de Staat verzocht om vrijwillige afgifte van het advies, maar dit verzoek is afgewezen. Ook hun verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet open overheid (Woo) is niet ingewilligd.
De kantonrechter heeft de procedure beoordeeld en vastgesteld dat verzoekers zich beroepen op het inzagerecht van artikel 843 Rv, dat per 1 januari 2025 is gewijzigd in artikel 194 Rv. De kantonrechter oordeelt dat de Staat zich terecht beroept op de weigeringsgrond van artikel 194 lid 2 onder b Rv, omdat het gaat om vertrouwelijke communicatie tussen de Staat en zijn advocaat. De kantonrechter concludeert dat er een gewichtige reden is om het verzoek af te wijzen, en dat de belangen van verzoekers niet opwegen tegen het verschoningsrecht van de advocaat. De kantonrechter wijst het verzoek af en veroordeelt verzoekers in de proceskosten, die zijn begroot op € 677,00.