ECLI:NL:RBDHA:2025:21916
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Veroordeling minister tot betaling proceskosten na toewijzing voorlopige voorziening in vreemdelingenrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af te wijzen. Na bezwaar verklaarde de minister het bezwaar gegrond en verleende uitstel van vertrek voor de periode van 5 juli 2022 tot 5 juli 2023. Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister aan het verzoek van verzoeker was tegemoetgekomen, aangezien het bestuursorgaan het doel van de voorlopige voorziening had bereikt door het besluit voorlopig op te schorten. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan in zo'n geval het bestuursorgaan worden veroordeeld tot betaling van proceskosten.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe en bepaalde de vergoeding op € 907,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tevens werd het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegewezen vanwege het ontbreken van inkomen of vermogen bij verzoeker. Verweerder hoeft het griffierecht niet te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.