ECLI:NL:RBDHA:2025:21948

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
NL25.47592
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Spanje

De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 november 2025 behandeld, waarbij eiser niet is verschenen.

De rechtbank stelt vast dat Nederland op 15 juli 2025 een verzoek tot overname aan Spanje heeft gedaan, dat Spanje op 29 augustus 2025 heeft aanvaard. De minister heeft het besluit genomen op basis van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat Spanje systematische tekortkomingen kent in de asielprocedure en opvang, en dat hij medische zorg nodig heeft.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Spanje wordt verondersteld internationale verplichtingen na te komen. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen of objectieve landeninformatie aangeleverd die een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro aannemelijk maken. Ook de medische situatie van eiser rechtvaardigt geen uitzondering. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47592

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

Met het besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.47593) op 13 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
1.
1.1.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 15 juli 2025 bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 29 augustus 2025 aanvaard.
1.2.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
De beroepsgronden van eiser
2. Eiser voert aan dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Er is volgens eiser in Spanje sprake van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Zo stelt eiser dat hij geen geld van de Spaanse overheid krijgt en dat hij lang op een beslissing op zijn asielaanvraag zal moeten wachten. Ook heeft eiser medicijnen nodig.
De beoordeling van de beroepsgronden
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft onder meer in de uitspraak van 25 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2548) en de uitspraak van 23 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5353), geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser moet aan de hand van concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest. Eiser heeft geen objectieve landeninformatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje ingebracht. Ook eisers verklaringen over wat hij in Spanje heeft meegemaakt en waar hij voor vreest bevatten geen concrete aanwijzingen dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling als hiervoor bedoeld. Zo heeft eiser enkel verklaard twee en een halve maand in de opvang in Spanje te hebben verbleven, en dat de opvang niet echt goed was. Verder geldt met betrekking tot eventuele medische problemen van eiser dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Spanje dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat Nederland het meest geschikte land is voor zijn medische situatie. Hierbij is ook van belang dat eiser eerder geen asielaanvraag in Spanje heeft ingediend. Spanje heeft met het claimakkoord gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Het voorgaande betekent ook dat verweerder erop mag vertrouwen dat de Spaanse autoriteiten het risico op refoulement in overeenstemming met de eisen van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Handvest zullen beoordelen. Als eiser na overdracht aan Spanje problemen ondervindt, dient hij zich te beklagen bij de Spaanse autoriteiten of daar om hulp te vragen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.
2.3.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Spanje de internationale verplichtingen nakomt. Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.