ECLI:NL:RBDHA:2025:22020

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
24_2009 en 24_2010
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22j AwrArt. 3:41 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen aanslagen inkomstenbelasting 2015 terecht niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Eiser heeft voor het jaar 2015 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) ontvangen, gericht aan zijn toenmalige buitenlandse adres. De bezwaren tegen deze aanslagen zijn door verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Eiser stelde dat hij de aanslagen niet had ontvangen en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen op het juiste adres zijn verzonden en dat het aan eiser was om te bewijzen dat hij de aanslagen niet heeft ontvangen. Eiser is hierin niet geslaagd. De bezwaartermijn van zes weken is verstreken, en er is geen sprake van omstandigheden die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.

Daarom zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard en worden de beroepen ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 19 november 2025.

Uitkomst: De bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het beroep is ongegrond.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/2009 en SGR 24/2010

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaken tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd.
Verweerder heeft het bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft aan het beroep dat betrekking heeft op de aanslag IB/PVV zaaknummer SGR 24/2009 toegekend en aan het beroep dat betrekking heeft op de aanslag Zvw zaaknummer SGR 24/2010.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].

Overwegingen

Feiten
1. Eiser stond van 4 april 2016 tot 3 november 2020 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op een adres in [land] (het buitenlandse adres). Vanaf 3 november 2020 staat hij ingeschreven op een adres in [plaats] (het binnenlandse adres).
2. Aan eiser zijn met dagtekening 29 november 2017 aanslagen IB/PVV en ZVW voor het jaar 2015 opgelegd. De aanslagbiljetten zijn gericht aan eiser op het buitenlandse adres.
3. Met dagtekening 15 september 2022 zijn door de ontvanger van de belastingdienst aan eiser mededelingen nieuwe verjaringstermijn verzonden. Deze mededelingen zien op de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 en zijn gericht aan eiser op het binnenlandse adres.
4. Met dagtekening 26 mei 2023 is door de ontvanger aan eiser een aankondiging vordering wegens belastingschuld verzonden. De aankondiging ziet, onder meer, op de belastingschuld die open staat op de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015. Deze aankondiging is gericht aan eiser op het binnenlandse adres.
5. Eiser heeft bij brief met dagtekening 21 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen, onder meer, de aanslagen IB/PVV en ZVW voor het jaar 2015. Het bezwaarschrift is op 26 juni 2023 door verweerder ontvangen.
6. De bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en ZVW voor het jaar 2015 zijn wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft de bezwaren tevens aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015. Het verzoek om ambtshalve vermindering is afgewezen.
7. In de procedure die betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering is door de rechtbank reeds uitspraak gedaan. [1] Daartegen is door eiser cassatie ingesteld.
Geschil
8. In geschil is of de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
9. Eiser stelt dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Volgens eiser is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Eiser voert aan dat hij de aanslagbiljetten niet heeft ontvangen en pas met de aankondiging van 26 mei 2023 op de hoogte is geraakt van het bestaan van de aanslagen. De bezwaartermijn was toen reeds verstreken.
10. Verweerder stelt dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Beoordeling van het geschil
11. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan op de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Bekendmaking geschiedt in de regel door verzending per post (zie artikel 3:41, eerste lid, van de Awb).
12. Ingevolge artikel 6:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een bezwaarschrift tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door het bestuursorgaan is ontvangen. Als het bezwaarschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door het bestuursorgaan is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn.
13. Indien een bezwaarschrift te laat is ingediend, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift betrokkene niet is toe te rekenen. In dat geval laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.
14. Uitgaande van de dagtekening 29 november 2017 van de aanslagen eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 11 januari 2018. Het bezwaarschrift van eiser is op 26 juni 2023 ontvangen. Dat is dus te laat.
15. Eiser stelt echter dat hij de aanslagen niet heeft ontvangen. Daarom is het aan verweerder om de verzending van de aanslagen aannemelijk te maken, meer specifiek dat de aanslag is verzonden naar het juiste adres en dat het stuk ter postverzending aan een postvervoerbedrijf is aangeboden. Daarbij zal de heffingsambtenaar mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden. [2] Verweerder heeft daartoe op 4 oktober 2024 gedagtekende rapporten overgelegd. Deze rapporten zijn opgesteld door [naam], medewerker Verwerken en Behandelen bij Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen, en bevatten de onderzoeksresultaten ten aanzien van de opmaak en verzending van de aanslagen.
16. Met voormelde rapporten heeft verweerder onderbouwd dat de aanslagen op 23 november 2017 ter verzending zijn aangeboden aan PostNL. Voorts is gesteld noch gebleken dat de gebruikte adresgegevens onjuist zouden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de aanslagen naar het juiste adres zijn verzonden.
17. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst van de aanslagen redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Eiser heeft niet onderbouwd dat er sprake is geweest van problemen met de postbezorging op het buitenlandse adres. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hem niet is toe te rekenen dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb is geen sprake.
18. Dat aanslagen die aan eiser voor het jaar 2014 zijn opgelegd door verweerder zijn vernietigd, doet aan het voorgaande niet af. Anders dan in onderhavige zaken kon verweerder ten aanzien van de aanslagen voor 2014 geen verzendrapporten overleggen.
19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank zal de beroepen daarom ongegrond verklaren.
Proceskosten
20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Rubbens, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Zaaknummers SGR 24/7670 en SGR 24/7671. Deze beroepen zijn bij uitspraak van 17 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde verzet is bij uitspraak van 28 maart 2025 ongegrond verklaard.
2.Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59.