ECLI:NL:RBDHA:2025:22099

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.54840 NL25.54841
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van vreemdeling met Bengaalse nationaliteit en verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 november 2025 uitspraak gedaan in de zaken NL25.54840 en NL25.54841, waarbij de rechtbank zich boog over de maatregel van bewaring die aan eiser, een vreemdeling van Bengaalse nationaliteit, was opgelegd. De minister van Asiel en Migratie had op 14 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgelegd, maar deze werd op 29 oktober 2025 opgeheven. Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op 17 november 2025, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was.

De rechtbank heeft overwogen dat de maatregel van bewaring op 14 oktober 2025 onrechtmatig was, maar dat dit niet leidt tot toekenning van schadevergoeding, omdat de opheffing van de maatregel tijdig was. Eiser voerde aan dat er geen beëdigd tolk beschikbaar was tijdens de gehoren, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen schending van zijn belangen opleverde, aangezien hij de tolk goed verstond. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende gronden had om de maatregel van bewaring op te leggen, en dat er geen zicht op uitzetting naar Bangladesh was, omdat eiser niet voldoende meewerkte aan de vaststelling van zijn identiteit.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt op 21 november 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.54840 en NL25.54841
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone), en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2025 (
bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De minister heeft deze maatregel van bewaring op 29 oktober 2025 opgeheven.
Bij besluit van 29 oktober 2025 (
bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 november 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Cabir. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Bengaalse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Omdat de maatregel van bewaring van 14 oktober 2025 (
bestreden besluit 1) is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Tolk
3. Eiser voert aan dat tijdens het gehoor voor inbewaringstelling op 14 oktober 2025 geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk. In het gehoorverslag staat dat er geen beëdigd tolk beschikbaar zou zijn in de taal Bengali, maar die is er volgens eiser wel. Ook in het gehoor voor inbewaringstelling op 29 oktober 2025 is geen gebruik gemaakt van een beëdigd tolk. In beide gespreksverslagen is niet gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van een niet-beëdigd tolk.
4. De rechtbank overweegt als volgt. In beide gehoren is gebruik gemaakt van dezelfde niet-beëdigde tolk, omdat er op dat moment geen beëdigd tolk in de taal Bengali beschikbaar was. De rechtbank ziet niet in dat eiser in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-beëdigd tolk. Volgens beide op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de gehoren heeft eiser verklaard de tolk steeds goed te verstaan en te begrijpen. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

5. In beide maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond en bestaat dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van de asielprocedure respectievelijk het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden in beide besluiten – met uitzondering van de zware grond onder 3i, die staat enkel vermeld in
bestreden besluit 2– vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden in beide besluiten vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
6. Eiser betwist de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4f. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden onder 4a, 4b, 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregelen van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet betwiste gronden en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarnaast zijn in de afweging of een lichter middel kan worden toegepast, de verklaringen van eiser over zijn medische situatie betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
9. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Bangladesh. Hiertoe voert hij aan dat er momenteel geen laissez-passer(lp)-traject loopt en ook geen lp-traject kan worden opgestart met de informatie die op dit moment bekend is.
10. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft ter zitting verklaard dat de Bengaalse autoriteiten een eerdere lp-aanvraag voor eiser hebben afgewezen op 15 juli 2024. De vertegenwoordiger van Bangladesh heeft toen geconstateerd dat de door eiser verstrekte (kopie)geboorteakte niet echt is. De minister heeft daarom in het vertrekgesprek van 13 november 2025 aangegeven dat eiser zelf dient te onderbouwen wie hij is en wat zijn nationaliteit is door bijvoorbeeld stukken op te vragen bij familieleden in Bangladesh of zich te wenden tot de autoriteiten van Bangladesh. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank acht niet gebleken dat eiser daartoe niet in staat is, ook al heeft hij Bangladesh geruime tijd geleden verlaten en stelt hij geen contact meer te hebben met zijn familie in Bangladesh. Daarom ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting naar Bangladesh is. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

11. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er is nog geen enkele informatie overgelegd over de voortgang van eisers zaak. Eiser stelt dat hierdoor sprake is van een gebrek.
12. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Na de oplegging van de huidige maatregel van bewaring (
bestreden besluit 2) zijn op 31 oktober 2025 en 13 november 2025 met eiser vertrekgesprekken gevoerd. Op 31 oktober 2025 is aanvankelijk een lp-aanvraag aan de Directie Internationale Aangelegenheden verzonden, maar deze aanvraag is niet extern doorgezet als gevolg van de eerdere bevindingen van de Bengaalse autoriteiten en het gebrek aan andere documenten. De minister zal ten behoeve van de uitzetting regelmatig vertrekgesprekken met eiser blijven voeren. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Vergelijk ABRvS 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV3295) en ABRvS 23 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3894).
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
14. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.