ECLI:NL:RBDHA:2025:22103

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.54297
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, van Tsjechische nationaliteit, werd op 30 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan het vreemdelingentoezicht zou onttrekken. Verweerder baseerde dit op zowel zware als lichte gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, eerdere onttrekkingen aan toezicht en het niet naleven van vertrekverplichtingen.

Eiser voerde aan dat verweerder niet voortvarend had gehandeld, aangezien hij recentelijk acht keer was uitgezet en het slechts een kwestie van een ticket kopen zou zijn. De rechtbank stelde vast dat eiser de door verweerder aangevoerde gronden niet betwistte en deze feitelijk juist en voldoende toegelicht waren.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had geoordeeld dat geen minder dwingende maatregelen dan bewaring effectief waren. Verweerder had bovendien voortvarend gehandeld door binnen vijf dagen na inbewaringstelling een vertrekgesprek te voeren, een nieuwe laissez-passer aan te maken en deze tijdig aan de Tsjechische autoriteiten te versturen.

Gelet op deze omstandigheden was de maatregel van bewaring niet onrechtmatig. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54297

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

1. Bij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 10 november 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 12 november 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 14 november 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Eiser stelt van Tsjechische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat verweerder niet voortvarend handelt. Eiser is acht keer eerder uitgezet, waarvan de meest recente uitzetting op 17 oktober 2025 was. Verweerder heeft de nodige informatie dus zeer recent nog in handen gehad. Daarbij is geen twijfel over de identiteit en nationaliteit van eiser. In dit geval is uitzetting slechts een kwestie van een ticket kopen. Het is onduidelijk waarom eiser nog niet is uitgezet.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die door verweerder aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. Deze gronden zijn ook feitelijk juist en door verweerder voldoende toegelicht, zodat ook deze gronden met recht aan eiser zijn tegengeworpen. Gelet hierop zijn voldoende gronden aanwezig om ten aanzien van eiser een risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
7. Verder heeft de Afdeling [1] in het algemeen zowel bij geplande bewaring als bij bewaring na een geplande overdracht een eerste daadwerkelijke handeling op dag zes voldoende voortvarend geacht. [2] Verweerder heeft al op 4 november 2025, de vijfde dag na inbewaringstelling, een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Verder heeft verweerder op 5 november 2025 een nieuwe laissez-passer aangemaakt en is op 12 november 2025 de laissez-passer aanvraag verstuurd naar de Tsjechische autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld, temeer omdat in eisers geval geen sprake was van een geplande bewaring. Dat enkel een vliegticket dient te worden gekocht, is gezien de voornoemde uitzethandelingen niet aan de orde.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [3] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:989.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.