In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de vreemdelingenbewaring van eiseres, die met een vals paspoort Nederland is binnengekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiseres is opgelegd, op grond van artikel 6, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000, terecht is. Eiseres had eerder toegang tot het Schengengebied, maar de rechtbank oordeelt dat zij niet op rechtmatige wijze is binnengekomen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiseres, waaronder de stelling dat zij slachtoffer is van geweld en mensenhandel, niet kunnen volgen. De rechtbank concludeert dat de zware gronden voor de vrijheidsontneming, zoals het gebruik van valse documenten, voldoende zijn om de maatregel te rechtvaardigen. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, evenals haar verzoek om schadevergoeding. De rechtbank wijst erop dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.