ECLI:NL:RBDHA:2025:22131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
25/2966
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor het oprichten van een appartementencomplex met winkels en commerciële ruimten in Westland

Deze uitspraak betreft een omgevingsvergunning voor het oprichten van een appartementencomplex met winkels en commerciële ruimten in Westland. Eiser, een lokale ondernemer, is het niet eens met het besluit van het college van burgemeester en wethouders om de omgevingsvergunning te verlenen. Hij voert verschillende beroepsgronden aan, waaronder de stelling dat de juiste voorbereidingsprocedure niet is gevolgd en dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die niet voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De rechtbank heeft de zaak op 30 september 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van het college en de vergunninghouder aanwezig waren, maar eiser en zijn gemachtigde niet. De rechtbank oordeelt dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. De rechtbank stelt vast dat er geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is in de zin van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, omdat de vergunde activiteiten geen toename in parkeerbehoefte tot gevolg hebben en het bouwplan niet in strijd is met het paraplubestemmingsplan. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende gemotiveerd. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. De omgevingsvergunning blijft in stand en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2966

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.F.S. Elfrink),
en

het college van burgemeester en wethouders van Westland

(gemachtigde: J.C. Meijer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijfsnaam] B.V. uit [vestigingsplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het oprichten van een appartementencomplex met winkels en commerciële ruimten in [plaats] . Eiser is het niet eens met het besluit van het college om de omgevingsvergunning te verlenen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de omgevingsvergunning stand kan houden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 20 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een appartementencomplex met 18 woningen, met in de plint van het gebouw winkels en commercieruimten, op het perceel [perceel 1] en [perceel 2] in [woonplaats] .
2.1.
De omgevingsvergunning is met het besluit van 17 maart 2025 (het bestreden besluit) verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan’ en ‘slopen van een bouwwerk’, onder toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Het beroep is door de rechtbank op grond van de Crisis- en herstelwet (Chw) versneld behandeld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de vergunninghouder, vergezeld door [naam] namens [bedrijfsnaam] B.V. Eiser en zijn gemachtigde zijn na voorafgaand bericht niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wabo. Omdat het een omgevingsvergunning betreft, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, is de Chw van toepassing. [1] Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en zijn de Wabo en de Chw ingetrokken. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 januari 2024 geldende recht.
Heeft het college de juiste voorbereidingsprocedure gevolgd?
4. Eiser acht het onjuist dat het college de Chw van toepassing heeft verklaard en rechtstreeks beroep bij de rechtbank heeft opengesteld, waardoor er geen bezwaarprocedure heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt daarover dat de toepasselijkheid van de Chw – zoals onder 3 beschreven – voortvloeit uit de wet. Het college heeft dus niet de keuze om te bepalen dat de Chw niet van toepassing is. Bovendien bepaalt de Chw niet dat er geen bezwaarprocedure plaatsvindt. Dit is een gevolg van de voorbereidingsprocedure die op grond van de Wabo moet worden gevolgd.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het college bij het nemen van het bestreden besluit de juiste voorbereidingsprocedure heeft gevolgd. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo is het college gehouden om bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, zoals hier aan de orde, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure [2] te volgen. Het college heeft dus niet de keuze om een andere procedure te volgen. Anders dan eiser kennelijk meent, is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geen verkorte procedure met minder inspraakmogelijkheden. Het indienen van bezwaar is in deze procedure niet mogelijk, omdat belanghebbenden al de mogelijkheid hebben om via een zienswijze hun standpunt te delen over het ontwerp van het besluit. Het college moet die zienswijze vervolgens in de afweging betrekken, voordat het een definitief besluit neemt. Dat eiser hiervan niet op de hoogte was, komt voor zijn eigen rekening en kan niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit vernietigd moet worden.
Heeft het college moeten toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking?
5. Eiser voert aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit artikel bepaalt dat het college bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Eiser wijst erop dat dit is niet gebeurd.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet bij de beantwoording van de vraag of een omgevingsvergunning voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre de omgevingsvergunning, in vergelijking met het geldende bestemmingsplan waarvan wordt afgeweken, voorziet in een functiewijziging. Daarbij is van betekenis welk planologisch beslag op de ruimte de omgevingsvergunning mogelijk maakt in vergelijking met het volgens het bestemmingsplan mogelijke ruimtebeslag. Een omgevingsvergunning die alleen voorziet in een planologische functiewijziging, zonder ten opzichte van het planologische regime nieuw ruimtebeslag mogelijk te maken, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarbij betekenis toekomt aan de ruimtelijke uitstraling van de in de omgevingsvergunning voorziene functie en die van hetgeen onder het bestemmingsplan mogelijk is. [3]
5.3.
De rechtbank stelt vast dat er met de voorgestelde transformatie geen planologische functiewijziging plaatsvindt ten opzichte van het huidige bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’. Het gebruiken van het gebouw voor appartementen, winkels en commerciële ruimten is toegestaan binnen de geldende bestemming ‘Gemengd-1’, nu deze gronden onder meer zijn bestemd zijn voor wonen, detailhandel en dienstverlening en horecabedrijven uit ten hoogste categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten. Het college heeft toegelicht dat de strijdigheden met het bestemmingsplan slechts bestaan uit plaatselijke overschrijdingen van de maximale bouw- en goothoogte, bijvoorbeeld ter plaatse van de galerij, vluchttrap en dakkapellen, overschrijding van de maatvoering van de dakkapellen en een overschrijding van het bouwvlak met 50 centimeter door een buitenruimte/balkon. Daarnaast is de toename van het aantal woningen in de nieuwe situatie niet toegestaan op grond van een bouwregel van het eveneens geldende ‘Paraplubestemmingsplan Wonen’. De voor het bouwplan benodigde afwijkingen van het planologisch regime zijn naar het oordeel van de rechtbank beperkt omdat met het bouwplan hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van de maximale bebouwingsmogelijkheden van de bestemmingsplannen. Dat door het bouwplan het bebouwd oppervlak en het bouwvolume flink toenemen ten opzichte van de
feitelijkehuidige situatie, doet gelet op de genoemde vaste rechtspraak niet ter zake.
5.4.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het project niet kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het college heeft daarom niet hoeven beoordelen of het bouwplan voldoet aan de in die bepaling opgenomen vereisten.
Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd?
6. Eiser betoogt dat de ruimtelijke onderbouwing die het college aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, ontoereikend is. Een concrete, locatie-specifieke afweging van de ruimtelijke effecten van het bouwplan ontbreekt volgens eiser. Voor zover deze wel aanwezig is, heeft het college geen goede belangenafweging gemaakt. Eiser wijst op het parkeren, de aantasting van bezonning, uitzicht en de stedenbouwkundige structuur, (geluids)overlast en mogelijke veiligheidsrisico’s, de waardevermindering van zijn bedrijfspand en aantasting van de bodem en archeologische waarde.
6.1.
Het is vaste rechtspraak dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [4] Aan de hand van dit toetsingskader beoordeelt de rechtbank de beroepsgronden van eiser.
Parkeren
7. Eiser voert aan dat een specifieke uitwerking van de geldende parkeernorm ontbreekt bij het bestreden besluit. Hierdoor is het niet inzichtelijk hoeveel parkeerplaatsen noodzakelijk zijn voor het voorgenomen bouwplan. Ook is niet duidelijk waar de benodigde parkeerplaatsen precies gerealiseerd zullen worden en staat niet vast dat dit op eigen terrein zal zijn. Het bouwplan is dus mogelijk niet in lijn met het Paraplubestemmingsplan Parkeernormen.
7.1.
Artikel 3.1 van het Paraplubestemmingsplan Parkeernormen luidt als volgt:
“Bij nieuwe ontwikkelingen (oprichting van een bouwwerk, verandering van functie of uitbreiding van bestaand gebruik) is het gebruik van gronden en bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 slechts toegestaan als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk 1 van deze regels.
Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a indien:
1. het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
2. er een bijzonder gemeentelijk belang mee is gemoeid; of
3. op andere wijze dan op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland' en – indien deze beleidsregel gedurende de planperiode worden gewijzigd – aan die wijziging; of
4. door de aanvrager van een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat de van toepassing zijnde parkeernorm(en) of aanwezigheidspercentages niet overeenkomen met de feitelijke situatie en kan worden volstaan met het realiseren van minder parkeergelegenheid.
(…)
7.1.1.
Op grond van artikel 1.7 van het paraplubestemmingsplan wordt onder voldoende parkeergelegenheid verstaan: parkeergelegenheid voor personenauto's, bestelauto's, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland' (de beleidsregel), zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan en - indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd - aan die wijziging.
7.1.2.
Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de beleidsregel - voor zover van belang - geschiedt het bepalen van de parkeervraag van zowel de functies die worden toegevoegd als de functies die verdwijnen op basis van de parkeernormen zoals deze in bijlage 1 zijn opgenomen, behalve indien het huidige gebruik niet in overeenstemming is met hetgeen wettelijk is toegestaan (illegaal gebruik). In dat geval wordt uitgegaan van de functie die er voorheen zat of, als dit niet meer dan 3 jaar geleden is geweest, met hetgeen is toegestaan volgens het bestemmingsplan.
7.2.
De rechtbank volgt de uitleg die het college geeft aan artikel 3.1, onder a, van het Paraplubestemmingsplan Parkeernormen. Die uitleg houdt in dat wanneer een omgevingsvergunning is vereist voor het veranderen of vernieuwen van een gebouw, slechts voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte ten gevolge van dat bouwplan ten opzichte van het bestaande bouwwerk moet zijn voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Deze uitleg sluit aan bij de vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. [5] Het bouwplan hoeft geen bijdrage te leveren aan het oplossen van een eventueel bestaand parkeertekort. [6]
7.3.
Dit betekent dat van belang is of de vergunde wijzigingen een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg hebben. Op pagina 24 van de ruimtelijke onderbouwing is een parkeerbalans opgenomen. Deze is gebaseerd op de parkeernormen uit de Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018. Het college heeft tijdens de zitting de aantallen uit de parkeerbalans toegelicht en zich op het standpunt gesteld dat hieruit blijkt dat er geen toename is van het aantal benodigde parkeerplaatsen. De maximale parkeerbehoefte van het bouwplan is bepaald op 49,2 parkeerplaatsen. Het pand zal niet worden gebruikt voor horeca, behalve voor zover het gaat om de lichte horecafunctie (categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten) op de begane grond. Dit is geborgd in de voorschriften van de omgevingsvergunning. De maximale parkeerbehoefte van de horecafunctie bedraagt 72,6 parkeerplaatsen. Uit de parkeerbalans volgt dat op alle te onderscheiden momenten van de dag/week het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de functies die worden toegevoegd (koopwoningen goedkoop, koopwoningen duur en hoofdcentrum) minder is dan de parkeerbehoefte voor de functies die door het bouwplan feitelijk niet meer kunnen worden gerealiseerd (een restaurant). Uit de eindbalans blijkt dan ook dat het niet noodzakelijk is om parkeerplaatsen in de openbare ruimte te vinden om aan de beleidsregel te kunnen voldoen: ondanks dat het ‘saldo aanbod aantal openbaar toegankelijke parkeerplaatsen op eigen terrein’ alle dagen 0,0 bedraagt, is het ‘saldo vraag naar openbaar toegankelijk parkeerplaatsen als gevolg van deze ontwikkeling’ op alle dagen negatief. Er is dus geen sprake van strijd met artikel 3.1 van het paraplubestemmingsplan, aldus het college.
7.4.
De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat de vergunde activiteiten geen toename in de parkeerbehoefte tot gevolg hebben. Eiser heeft dit standpunt ook niet gemotiveerd bestreden en heeft geen contra-expertise laten uitvoeren om eventuele onjuistheden van de parkeerberekeningen aan te tonen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het voorgenomen bouwplan niet in strijd is met het Paraplubestemmingsplan Parkeernormen.
Bezonning, uitzicht en stedenbouwkundige structuur
8. Eiser betoogt dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor de verminderde bezonningsituatie en het verminderde uitzicht van eiser aan de achterzijde van zijn bedrijfspand. Ook de stedenbouwkundige structuur wordt volgens hem aangetast.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een onaanvaardbare achteruitgang van de bezonningssituatie. Zoals het college terecht heeft opgemerkt, volgt uit artikel 3.74, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 dat voor een winkelfunctie geen eis voor daglichttoetreding geldt. Desondanks heeft het college een bezonningsstudie laten uitvoeren naar de effecten van het project op bezonning en daarbij ook het bedrijfspand van eiser betrokken. Uit de bezonningsstudie volgt dat ook bij het bedrijfspand aan de norm van twee uur bezonning in de voor de lichte TNO-norm relevante periode van 19 februari tot en met 21 oktober wordt voldaan. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bouwplan zal zorgen voor een onaanvaardbare vermindering van de lichtinval bij zijn bedrijfspand.
8.2.
Ten aanzien van het verminderde uitzicht overweegt de rechtbank dat er geen recht bestaat op een onaangetast uitzicht. [7] Zij volgt het standpunt van het college dat er ook in dit geval geen sprake is van een onevenredige aantasting. Het college heeft daarbij kunnen meewegen dat er in de huidige situatie al een garage aanwezig is die voor een aanzienlijke beperking van het uitzicht zorgt en dat op grond van het bestemmingsplan de maximaal toegestane bouwhoogte ter plekke 5 meter bedraagt, waardoor de overschrijding van de bouwhoogte in de toekomstige situatie beperkt is tot 1,96 meter. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zijn uitzicht daardoor onevenredig wordt aangetast.
8.3.
Verder stelt eiser dat het nieuwe gebouw de ruimtelijke samenhang in de historische kern van [plaats] verstoort en een disbalans in de stedenbouwkundige structuur veroorzaakt. Eiser laat echter na deze stelling te onderbouwen. Eisers bewering dat een analyse van de omgevingskwaliteit ontbreekt, mist feitelijke grondslag, nu een ruimtelijke onderbouwing onderdeel uitmaakt van het besluit. In die ruimtelijke onderbouwing is een stedenbouwkundige onderbouwing opgenomen.
8.4.
Deze beroepsgronden slagen niet.
Overlast geluid, verkeershinder en veiligheidsrisico’s
9. Eiser voert aan dat hij naar alle waarschijnlijkheid overlast zal gaan ondervinden tijdens de bouwwerkzaamheden door geluid, bouwverkeer, trillingen en stof. Ook neemt het geluidsniveau en de drukte in de omgeving structureel toe tijdens de gebruiksfase van het complex. Hij vreest dat dit een verstoring van de bedrijfsvoering teweeg zal brengen.
9.1.
Voor zover eiser stelt dat hij de bouwfase overlast zal veroorzaken, overweegt de rechtbank dat dat een uitvoeringsaspect is van de omgevingsvergunning. Dit gaat niet over de rechtmatigheid van het besluit zelf en speelt daarom geen rol bij de vraag of het college in redelijkheid een vergunning heeft kunnen verlenen. [8] De uitvoering van de werkzaamheden moet uiteraard wel op een veilige wijze geschieden, overeenkomstig het Bouwbesluit en het opgestelde bouwveiligheidsplan, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Indien eiser meent dat er voorschriften of bepalingen overtreden worden, kan hij zich tot het college wenden met een verzoek om handhavend op te treden.
9.2.
Het betoog van eiser dat zijn bedrijfsvoering ook in negatieve zin beïnvloed zal worden door de gevolgen van het project in de gebruiksfase, treft evenmin doel. In dit kader is van belang dat er geen planologische functiewijziging plaatsvindt, zoals de rechtbank reeds heeft geconstateerd onder 5.3. Het is goed mogelijk dat het geluidsniveau en de drukte in de omgeving toe zullen nemen, maar deze toename is mogelijk op grond van het bestemmingsplan.
9.3.
Deze beroepsgronden slagen niet.
Waardevermindering
10. Voor zover eiser betoogt dat de waardevermindering van zijn bedrijfspand dermate groot is dat het college de omgevingsvergunning om die reden niet mocht verlenen, deelt de rechtbank dit standpunt niet. Eiser heeft de gestelde waardevermindering niet onderbouwd. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat een eventuele waardevermindering van het bedrijfspand zodanig groot zal zijn dat het college bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft eiser terecht gewezen op de mogelijkheid om een planschadeverzoek in te dienen.
10.1.
Van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is naar oordeel van de rechtbank ook geen sprake. Voor zover al sprake zou zijn van enige beperking van het gebruik van zijn bedrijfspand, volgt die beperking niet uit de verleende omgevingsvergunning maar uit activiteiten die al zijn toegestaan op grond van bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’. Overigens is in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet bepaald dat het ongestoorde genot van eigendom onder geen beding mag worden aangetast. Dit moet echter wel gepaard gaan met procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de maatregel die de aantasting veroorzaakt. [9] Nu eiser de mogelijkheid heeft gehad om een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbesluit en hij in beroep is gekomen tegen de verleende omgevingsvergunning, is aan hem de mogelijkheid geboden om op effectieve wijze de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning te kunnen betwisten.
10.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bodemverontreiniging en archeologie
11. Eiser voert aan dat het college geen omgevingsvergunning had mogen verlenen, terwijl op het moment van vergunningverlening een concreet saneringsplan en archeologisch vervolgonderzoek ontbraken. Dit maakt dat de uitvoerbaarheid van het project onzeker is.
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat er in het bestreden besluit diverse voorschriften over archeologie zijn opgenomen. Ook is in de voorschriften opgenomen dat op grond van artikel 6.2c van de Wabo de omgevingsvergunning niet in werking treedt tot het moment waarop het bevoegd gezag heeft ingestemd met saneringsmaatregelen of wanneer door aanvullend (nader) bodemonderzoek is vastgesteld dat het geen verontreiniging boven de interventiewaarde betreft in meer dan 25 m³ grond. Deze voorschriften zijn naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en handhaafbaar. In de door eiser aangevoerde omstandigheid dat het archeologisch Programma van Eisen en het saneringsplan nog niet zijn ingediend ziet de rechtbank geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van de vergunning.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.M. Wesselo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw in samenhang met artikel 3.1 van bijlage 1 van de Chw.
2.Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2155, r.o. 5.2.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2076.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:133.
6.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2022.
7.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:503.
8.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2345.
9.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1089.