ECLI:NL:RBDHA:2025:22142

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.24290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKBesluit proceskosten bestuursrechtECLI:NL:RVS:2019:1970ECLI:EU:C:2012:518ECLI:NL:RVS:2022:94
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek bij asielaanvraag minderjarige uit Ethiopië

Eiser, een minderjarige van Ethiopische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vrees voor gedwongen rekrutering en politieke vervolging vanwege zijn betrokkenheid bij de Omoro-bevolkingsgroep en de OLA.

De minister wees de aanvraag af, stellende dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging had en dat zijn politieke activiteiten beperkt waren, waardoor hij niet in negatieve belangstelling van de autoriteiten stond. De rechtbank oordeelt dat de minister het motiveringsbeginsel heeft geschonden door te stellen dat eiser zich bij terugkeer terughoudend moet opstellen, wat strijdig is met jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak.

De rechtbank vernietigt het besluit wegens dit motiveringsgebrek, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat de minister ter zitting dit gebrek heeft hersteld met een nadere motivering. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de minister de belangen van het kind voldoende heeft betrokken en dat de persoonlijke omstandigheden van eiser en de landeninformatie zorgvuldig zijn beoordeeld.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser. De uitspraak biedt een belangrijke verduidelijking over de terughoudendheid die van minderjarige asielzoekers niet kan worden verlangd en bevestigt de zorgvuldigheid van de minister bij de inhoudelijke beoordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24290
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G. van Reemst),

en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is van Ethiopische nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 2009. Hij heeft op 15 september 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
23 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft op 29 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw N. Fictoor als tolk, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden. Het beroep is gegrond, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt te behoren tot de Omoro bevolkingsgroep. Hij heeft Ethiopië verlaten omdat er gedwongen rekruteringen plaatsvonden in de regio waar hij vandaan komt en hij zelf bang ook bang is om gerekruteerd te worden. Hij verklaart dat hij problemen heeft gehad met de Ethiopische overheid. Vrienden van zijn vader zijn ontsnapt uit de gevangenis en bij hen thuisgekomen met de beschuldiging dat eiser en zijn familie wapens in het huis hadden liggen. De vader van eiser is toen gearresteerd en de wapens moesten worden overgedragen. Het huis is doorzocht, maar de wapens konden niet worden gevonden. Na een week is de vader van
eiser vrijgelaten. Drie maanden later verklaart eiser dat er bij hem op school jongens werden geronseld. Kinderen van de oom van eiser zijn toen opgepakt. Eiser werd toen bang en is met een aantal andere mensen gevlucht. In Nederland is hij opgekomen voor zijn volk, de Omoro, heeft hij deelgenomen aan demonstratie van de OLF-Shene (OLA) en bijeenkomsten voor Omoro. Eiser is bang dat hij zal worden gedood bij terugkeer, omdat hij tegen de overheid is en de OLA ondersteunt.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst; en
2. politieke activiteiten voor de OLA.
4.1.
Zowel het eerste als het tweede asielmotief zijn door de minister geloofwaardig bevonden. De minister stelt zich echter op het standpunt dat deze motieven niet kunnen leiden tot verlening van een asielvergunning, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade zal lopen bij terugkeer naar Ethiopië. Daartoe overweegt de minister dat eiser weliswaar kan worden gekwalificeerd als sympathisant van de OLA en daardoor onder het risicoprofiel van OLA- aanhangers valt, maar dat zijn politieke activiteiten beperkt zijn gebleven waardoor eisers politieke overtuiging wordt aangemerkt als niet heel sterk. Daarnaast is er niet gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten staat, waardoor de vrees vanwege zijn politieke activiteiten voor de OLA niet aannemelijk is gemaakt. Ten aanzien van de vrees voor gedwongen rekrutering stelt de minister zich op het standpunt dat er uit het algemeen ambtsbericht (ambtsbericht) van Ethiopië van 2022 blijkt dat er sprake is van vrijwillige rekrutering en dat er uit het ambtsbericht van 2024 blijkt dat er geen sprake is van gedwongen rekrutering. Bovendien heeft eiser volgens de minister niet persoonlijk gemaakt dat hij op dit punt momenteel in de negatieve aandacht staat om gerekruteerd te worden door ofwel het regeringsleger, of door een andere groepering.
4.2.
Nu eiser minderjarig is, heeft de minister ook onderzoek gedaan naar het alleenstaande minderjarige vreemdelingen buitenschuldbeleid. Er loopt op het moment van deze uitspraak nog een onderzoek naar de opvang van eiser bij terugkeer.
Asielmotief: gedwongen rekrutering
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat er discussie bestaat over de vraag of de door eiser gestelde vrees voor gedwongen rekrutering moet worden aangemerkt als een asielmotief. Eiser voert aan dat de minister dit ten onrechte heeft nagelaten, waardoor het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Hij wijst daarbij op Werkinstructie (WI) 2024/6, waaruit volgens hem niet volgt dat een asielmotief uitsluitend ziet op persoonlijke gebeurtenissen in het land van herkomst. Omdat de gestelde dreiging van rekrutering voor hem aanleiding is geweest om uit Ethiopië te vluchten – mede gelet op het feit dat de kinderen van zijn oom zijn gerekruteerd – moet dit volgens eiser worden aangemerkt als asielmotief. De minister stelt zich op het standpunt dat dit geen asielmotief is, omdat het eiser niet persoonlijk is overkomen en het slechts een toekomstige vrees betreft. Om die reden is dit aspect niet onder de geloofwaardigheid getoetst, maar wel meegewogen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de minister de gestelde vrees voor gedwongen rekrutering in het bestreden besluit heeft betrokken en daarover een inhoudelijke beoordeling heeft gegeven, zij het onder de zwaarwegendheid van de vrees en niet onder de geloofwaardigheid van een afzonderlijk asielmotief. Daarmee is dit aspect niet buiten de besluitvorming gebleven. Ter zitting is door de gemachtigde van eiser erkend dat, ook indien dit aspect als asielmotief zou zijn aangemerkt, dit niet tot een andere uitkomst van de beoordeling zou hebben geleid. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het enkele feit dat de minister dit niet als asielmotief heeft bestempeld, wat daar ook van zij, leidt niet tot vernietiging van het besluit.
Politieke activiteiten voor de OLA
De sterke van de politieke overtuiging
6. Eiser voert verder aan dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van een sterke politieke overtuiging. Volgens eiser is onvoldoende meegewogen dat hij ten tijde van zijn vertrek pas 16 jaar oud was, dat het in Ethiopië voor hem gevaarlijk en praktisch onmogelijk was om zich politiek te uiten en dat hij zijn politieke activiteiten in Nederland snel heeft opgepakt. Gezien zijn jonge leeftijd moet volgens eiser worden aangenomen dat zijn overtuiging sterk is. Hij verwijst daarnaast naar pagina 75 van het ambtsbericht van 2024 en stelt dat daaruit volgt dat de minister onvoldoende heeft meegewogen dat terugkeerders naar Ethiopië het risico lopen op negatieve aandacht.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn of zijn geweest van zijn activiteiten en politieke overtuiging. Hoewel eiser actief is op sociale media zoals Facebook, Telegram en WhatsApp, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanwezigheid daar zodanig groot of opvallend is dat de autoriteiten daarvan kennis hebben genomen en hem in het vizier hebben. De door eiser genoemde groepschat in Telegram bestaat uit circa 75.000 personen, is besloten en niet openbaar. Het enkele vermoeden dat deze door de autoriteiten zou zijn geïnfiltreerd, maakt niet aannemelijk dat eiser daadwerkelijk is opgemerkt, temeer nu hij geen prominente rol heeft vervuld binnen deze groepschat. Daarnaast heeft eiser slechts één demonstratie bijgewoond, op 28 november 2024, waarbij niet is gebleken dat hij een organiserende of andere prominente rol had.i Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser tijdens die demonstratie is gefotografeerd met een Oromo-vlag, waarvan hij zelf heeft verklaard niet te weten waar die voor staat.ii Het door eiser aangehaalde ambtsbericht ondersteunt zijn standpunt evenmin, omdat daarin weliswaar wordt vermeld dat terugkeerders vanwege hun politieke activiteiten in de negatieve aandacht kunnen komen te staan, maar daarvoor is vereist dat de autoriteiten van die activiteiten op de hoogte zijn. De minister heeft terecht overwogen dat dit hier niet aannemelijk is geworden.
6.2.
De rechtbank volgt de minister dan ook in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een sterke politieke overtuiging heeft ontwikkeld. Dat eiser nog jong is, leidt niet tot een ander oordeel. Doorslaggevend is of aannemelijk is gemaakt dat zijn overtuiging zich in zodanige uitingen of gedragingen manifesteert dat dit de negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten oproept. Gelet op het voorgaande is hiervan geen blijk gegeven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zich in Ethiopië nooit politiek heeft geuit en dat zijn uitingen pas in Nederland zijn begonnen. Die bestonden uit het bijwonen van één demonstratie en het kort voor zijn nader gehoor aanmaken van een Facebookaccount. Dat eiser dit account naar eigen zeggen juist op dat moment heeft
aangemaakt om in contact te komen met familie, ondersteund dat hieruit geen sterke politieke overtuiging kan worden afgeleid. In eerste instantie beperkten zijn activiteiten zich tot het delen van zes berichten. In de aanvullende gronden van het beroep heeft eiser aanvullende stukken ingediend waaruit blijkt dat hij inmiddels meer berichten deelt, maar ook daarin blijft zijn rol beperkt tot het enkel delen van berichten. Deze stukken leiden daarom niet tot een ander oordeel. Daarnaast heeft eiser aanvullende screenshots overgelegd waaruit zou blijken dat hij meerdere bijeenkomsten heeft bijgewoond. Nog daargelaten dat uit deze stukken niet altijd duidelijk blijkt om welke bijeenkomsten het gaat of wat zijn precieze rol daarin is geweest, volgt daaruit niet dat hij een actieve of prominente bijdrage heeft geleverd waardoor hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten is komen te staan. Het enkele bijwonen van dergelijke bijeenkomsten, zonder verdere onderbouwing van zijn actieve betrokkenheid of politieke profilering, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat sprake is van een sterke politieke overtuiging. Ook het enkele lidmaatschap van een organisatie zonder dat sprake is van een actieve of leidende rol, maakt niet dat sprake is van een sterke politieke overtuiging.
De politieke activiteiten van eiser bij terugkeer naar Ethiopië en zijn terughoudendheid
7. Volgens eiser is het standpunt van de minister dat hij zich bij terugkeer terughoudend zou moeten opstellen op politiek gebied in strijd met fundamentele mensenrechten en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). Daarbij wijst eiser op de Handleiding van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van 2022.iii In dat licht stelt eiser dat de minister niet heeft onderzocht welke politieke activiteiten hij bij terugkeer wil verrichten en in hoeverre dit hem in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal brengen. Gezien het Informatiebericht (IB) 2024/10 en de genoemde EUAA-handleiding had dit onderzoek wel moeten plaatsvinden.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan van een vreemdeling niet worden verlangd dat hij zich bij terugkeer naar het land van herkomst terughoudend opstelt in de uitoefening van zijn geloof of politieke overtuiging. Wanneer de minister geloofwaardig acht dat een vreemdeling in Nederland politieke activiteiten heeft ontplooid en niet heeft bestreden dat deze voortkomen uit een politieke overtuiging, kan niet van die vreemdeling worden verwacht dat hij zich bij terugkeer onthoudt van dergelijke activiteiten om vervolging te voorkomen.iv Dit uitgangspunt sluit aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2012,
Y. en Z.,waarin is geoordeeld dat van een vreemdeling niet mag worden verlangd dat hij zijn geloof in het land van herkomst slechts op een terughoudende wijze belijdtv, en is verder bevestigd in latere jurisprudentie van de Afdeling.vi
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt stelt dat er van eiser bij terugkeer naar Ethiopië mag worden verwacht dat hij zich terughoudend opstelt. Het bestreden besluit voldoet daarmee niet aan de gestelde criteria van de hierboven genoemde uitspraken van de Afdeling en het Hof. Daarmee kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is het beroep alleen daarom al gegrond. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de minister met de motivering ter zitting dit gebrek heeft geheeld zodat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven of dat de minister een nieuw besluit dient te nemen.
7.3.
De minister heeft ter zitting toegelicht dat de passage in het bestreden besluit zo moet worden gelezen dat van eiser niet wordt verlangd dat hij zich bij terugkeer naar
Ethiopië terughoudend opstelt om problemen te voorkomen. De minister heeft erkend dat dit, gelet op de jurisprudentie van het Hof en de Afdeling, ook niet van een vreemdeling mag worden gevraagd. Volgens de minister volgt uit de beoordeling van eisers activiteiten in Nederland echter dat zijn politieke overtuiging en de uitingen daarvan beperkt zijn gebleven. Omdat niet aannemelijk is geworden dat eiser in Nederland in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten is komen te staan, bestaat er ook geen grond om aan te nemen dat hij bij terugkeer op een zodanige manier politiek actief zal zijn dat hij daardoor vervolging te vrezen heeft. De minister heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser weliswaar heeft verklaard dat hij zich bij terugkeer bij de OLA wil aansluiten, maar dat hij ook in Nederland al stelt aangesloten te zijn zonder dat dit tot negatieve aandacht heeft geleid. In lijn met het IB 2024/10 wordt de beoordeling dus gemaakt op basis van de sterkte van de overtuiging en de reeds verrichte activiteiten, waaruit volgt dat eiser zich naar verwachting bij terugkeer niet op een manier zal uiten die tot vervolging leidt.vii De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze nadere toelichting het eerder vastgestelde motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom in stand blijven.
Vrees voor gedwongen rekrutering
8. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat de minister onvoldoende motiveert waarom uit landeninformatie niet zou blijken dat sprake is van gedwongen rekrutering door het nationale leger in Ethiopië. In zijn zienswijze heeft eiser diverse bronnen aangevoerd die volgens hem het tegendeel onderbouwen. Specifiek stelt eiser dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming omdat er niet in is gegaan van een bron van [naam] , terwijl deze bron wel in het ambtsbericht van 2022 is opgenomen. In beroep verwijst eiser naar een BBC-artikel van 30 april 2025 en middels de aanvullende gronden naar een bron van Ethiopia Observer en een statement van de Amhara Association of America (AAA) van 1 mei 2025. Eiser betwist de wijze waarop de minister de aangevoerde bronnen heeft gebruikt en stelt dat deze verkeerd of onvolledig zijn geïnterpreteerd. Volgens eiser volgt uit de bronnen dat er wel degelijk sprake is van stelselmatige gedwongen rekruteringen. Ten aanzien van zijn persoonlijke situatie voert eiser aan dat zijn familie problemen heeft gehad met de overheid wegens desertie en verdenking van wapenbezit, en dat zijn neven gedwongen zijn meegenomen voor militaire dienst. De minister heeft deze persoonlijke risico’s volgens eiser niet zorgvuldig beoordeeld.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht heeft aangesloten bij het meest recente ambtsbericht van 2024. Voor zover eiser zich beroept op bronnen die dateren van vóór dat ambtsbericht, waaronder ook de bron van [naam] uit het ambtsbericht van 2022, geldt dat de minister deze niet ten onrechte buiten de beoordeling heeft gelaten. Het is vervolgens aan eiser om, in het licht van het ambtsbericht van 2024, met concrete en geïndividualiseerde informatie aannemelijk te maken dat in zijn persoonlijke geval toch sprake is van een risico op gedwongen rekrutering. Enkel verwijzen naar berichten zonder toelichting of onderbouwing is daarvoor onvoldoende.
8.2.
Ten aanzien van de stukken die dateren van ná het ambtsbericht van 2024 volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat deze niet zien op het gebied van herkomst van eiser, namelijk de regio [plaats] in [regio] . Uit de aangevoerde bronnen blijkt niet dat daar sprake is van stelselmatige gedwongen rekrutering, anders dan eiser zelf wel stelt. De rechtbank merkt daarnaast op dat eiser verwijst naar een rapport van de Finse
immigratiedienst van 28 juni 2024, waarin volgens hem zou staan dat er ook in [plaats] sprake is van gedwongen rekrutering. Omdat eiser enkel een link naar de Finse versie heeft overgelegd en desgevraagd geen Engelse of Nederlandse vertaling beschikbaar heeft gesteld, kan de rechtbank dit rapport niet zelf verifiëren. Daarbij komt dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft verklaard dat zij zelf niet over het rapport beschikt en de aangehaalde passages enkel heeft overgenomen van VluchtelingenWerk, zonder deze te kunnen controleren. Dit stuk kan de rechtbank daarom niet bij haar beoordeling betrekken. Verder blijk uit de in het beroep overgelegde stukken evenmin dat sprake is van stelselmatige gedwongen rekruteringen in de regio [plaats] . Hoewel daaruit blijkt dat jongeren in andere regio’s en [regio] worden gerekruteerd, volgt daaruit niet dat dit structureel plaatsvindt in het gebied van eiser.
8.3.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat niet aannemelijk is gemaakt dat er in de regio [plaats] sprake is van stelselmatige gedwongen rekrutering. Dat eisers neven in het verleden zouden zijn meegenomen voor militaire dienst, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit ziet op een periode van vóór het vertrek van eiser in oktober 2021, terwijl uit het ambtsbericht van 2024 blijkt dat de situatie sindsdien is verbeterd. De minister heeft de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende bij de beoordeling betrokken.
Belangen van het kind (artikel 3 IVKR Pro)
9. Eiser stelt dat bij de beoordeling van zijn asielaanvraag onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen als kind en dat hij als bijzonder kwetsbare minderjarige recht zou hebben op een spoediger afgifte van een asielvergunning in vergelijking met volwassenen. Hij verwijst in dit verband naar de richtlijnen van de
United Nations High Commissioner for Refugees(UNHCR), het
Tarakhel-arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 24 april 2018,.viii
9.1.
De rechtbank overweegt dat in het voornemen van de minister de belangen van het kind wel degelijk als overweging zijn vermeld. In de zienswijze van eiser is daarover geen inhoudelijk nader argument aangevoerd. Het voornemen maakt deel uit van de besluitvorming, zodat kan worden aangenomen dat de belangen van eiser bij de beoordeling zijn betrokken. Dat eiser van mening is dat zijn bijzondere kwetsbaarheid zou moeten leiden tot een versnelde toekenning van een vergunning, is niet nader onderbouwd en biedt geen zelfstandige grond voor vernietiging of wijziging van het besluit. De rechtbank acht het oordeel van de minister op dit punt voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek ten aanzien van de terughoudendheid van de politieke activiteiten van eiser, maar laat de rechtsgevolgen geheel in stand, nu de rechtbank van oordeel is dat de minister op zorgvuldige wijze tot zijn inhoudelijke oordeel over de leeftijd is gekomen.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,00 per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijft; en
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 september 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
i Zie pagina 11 van het rapport van het nader gehoor.
ii Idem, pagina 15.
iii EUAA jointly with Member States, Practical Guide on Political Opinion, December 2022.
iv Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2019:1970.
v ECLI:EU:C:2012:518.
vii Zie pagina 3 van het IB 2024/10.
viii UNHCR Guidelines on International Protection No. 8: Child Asylum Claims under Articles 1(A)2 and 1(F) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating to the Status of Refugees, 22 December 2009 HCR/GIP/06/07, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 en ECLI:NL:RBDHA:2018:5123.