In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Roemeense vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 3 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. R.M. Seth Paul, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De minister heeft de maatregel op 11 november 2025 opgeheven, waardoor de rechtbank zich moest buigen over de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding voor de periode van bewaring.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister het document M122, dat essentieel is voor de informatievoorziening aan de vreemdeling, niet aan eiser heeft verstrekt. Dit gebrek in het voortraject werd door de rechtbank erkend, maar de rechtbank oordeelde dat de ernst van dit gebrek niet opwoog tegen de belangen die met de maatregel van bewaring waren gediend. De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel van bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, en dat de minister zijn inspanningsverplichting niet had geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 1.814,00.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van zorgvuldigheid in het voortraject van bewaring en de afweging van belangen in vreemdelingenrechtelijke procedures. De rechtbank heeft de uitspraak openbaar gemaakt op 24 november 2025, en tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.