Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser, een Azerbeidzjaanse nationaliteit, beroep heeft ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit, genomen op 10 november 2025, hield in dat eiser in bewaring werd gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden beschouwd. Tijdens de zitting op 19 november 2025 is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en is er een tolk aanwezig geweest. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen, waarbij onder andere is gekeken naar de gronden voor de inbewaringstelling en de medische situatie van eiser.
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser zich niet aan de voor hem geldende verplichtingen heeft gehouden en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Ook is gebleken dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, wat de rechtbank als een zwaarwegende grond heeft aangemerkt. Eiser heeft aangevoerd dat de inbewaringstelling onterecht was, omdat verweerder niet alle benodigde medische gegevens had verzameld voordat hij in bewaring werd gesteld. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de inbewaringstelling noodzakelijk was, gezien het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en dat er geen gronden zijn om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de genomen besluiten. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.