Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties en aanvullende producties;
2.De feiten
De moord op [naam advocaat] is professioneel voorbereid. De omgevingen van zijn kantoor en zijn woning zijn wekenlang verkend. Daarbij werd gebruik gemaakt van gestolen auto’s die waren voorzien van valse kentekenplaten en die tussentijds werden ‘gesweept’ en er werd gecommuniceerd via verschillende PGP-telefoons. [verdachte] heeft zich samen met [medeverdachte 6] schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de moord op [naam advocaat]. Door zijn handelwijze heeft hij bewust een bijdrage geleverd aan het nemen van het leven van een ander. Het is ijzingwekkend om te constateren dat [verdachte] op geen enkel moment tijdens de voorbereiding tot bezinning is gekomen, afstand van dit plan heeft genomen en medeverdachten heeft bewogen tot stoppen met hun plan. [verdachte] heeft geen enkele inzage gegeven in zijn motief om zijn medewerking te verlenen aan de voorbereidingen die uiteindelijk ten dienste stonden aan deze moord, die wat de rechtbank betreft direct verband houdt met de werkzaamheden van [naam advocaat] als raadsman van de kroongetuige in de zaak Marengo .
1. De gedetineerde en de rechtsbijstandverlener worden op de hoogte gesteld van het visueel toezicht op gesprekken tussen de gedetineerde en de rechtsbijstandverlener als bedoeld in artikel 38, achtste lid, van de wet.
auditieftoezicht op het geprivilegieerde contact tot generieke maatregel maakte. Naar aanleiding hiervan heeft de Minister de Raad van State verzocht met spoed te adviseren over deze amendementen en hun verhouding tot de grondrechten. In zijn spoedadvies van 24 april 2024 [6] heeft de Raad van State vervolgens geconcludeerd dat de beide amendementen onverenigbaar zijn met de Grondwet, het EVRM en het Unierecht. In het advies van de Raad van State staat onder meer het volgende:
Dat van gedetineerden die in de EBI of op de AIT worden geplaatst een bijzonder gevaar uitgaat, is op zichzelf onvoldoende om het maken en bewaren van opnames te rechtvaardigen. Dat gevaar kan immers van verschillende aard zijn en brengt niet als zodanig een risico op misbruik van vertrouwelijke communicatie met zich mee. Hierbij is onder meer van belang dat voor zowel de EBI als de AIT ruime plaatsingscriteria zijn geformuleerd, waardoor daar gedetineerden kunnen verblijven van wie verschillende soorten en gradaties van risico’s uitgaan. (...) Om van een risico op misbruik van vertrouwelijke communicatie te spreken moeten er concrete aanwijzingen bestaan dat die communicatie door een bepaalde gedetineerde wordt misbruikt. Slechts een veronderstelling dat mogelijk sprake is van misbruik van de communicatie is onvoldoende. (...)”
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zelf heeft gekozen om zijn verdediging te voeren terwijl hij in detentie zat en dus onderworpen was aan de regels en (on)mogelijkheden die gelden voor een gedetineerde. Weliswaar zijn op meerdere momenten verzoeken tot het verkrijgen van bepaalde faciliteiten afgewezen, ingegeven door het geldende veiligheidsregime in de penitentiaire inrichting, maar de rechtbank heeft compenserende voorzieningen getroffen, zoals bijvoorbeeld het opdragen aan het openbaar ministerie verdachte de delen Strafrecht en Strafvordering van Tekst & Commentaar te verstrekken en verdachte meer tijd te gunnen voor het formuleren van onderzoekswensen toen hij op de eerste regie zitting nog niet voldoende in staat was deze te formuleren. Hiermee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank adequaat op de door hem verkozen wijze zijn verdediging kunnen voeren.”
Verzoek aan de Minister om één of meer andere rechtsbijstandsverleners” verzoeken gedaan aan de Minister om zich te laten bijstaan door de advocaten mr. De Haan, mr. Roozemond en mr. Van Soest. Op deze verzoeken is nog geen beslissing genomen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
onmiskenbaaronverbindend zijn wegens strijd met eenieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Dit kader staat tussen partijen terecht niet ter discussie.
3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
relevant and sufficient reasons” bestaan. Als die redenen er niet zijn, kan zo’n beperking een schending van artikel 6 EVRM Pro lid 1 en 3 opleveren “
if it adversely affected the applicant’s defence, regard being had to the proceedings as a whole” [10] .
out of the hearing of third parties”. Het gaat er hierbij om dat de communicatie voor wat betreft de inhoud vrij en onbeperkt dient te zijn. Een schending van dit recht kan ook worden aangenomen indien er niet daadwerkelijk is afgeluisterd, maar wanneer wel – op redelijke gronden – de overtuiging bestaat dat gesprekken worden afgeluisterd (het zogenoemde
chilling effect). Anders dan [eiser] heeft betoogd, vormt enkel visueel toezicht (dus zonder audio) niet zonder meer een inmenging in de vertrouwelijke communicatie tussen een gedetineerde en zijn raadsman. De door [eiser] aangehaalde uitspraken van het EHRM (onder meer Sakhnovskiy/Russia [12] en Öcalan/Turkey [13] ) betreffen zaken waarin onrechtmatige inmenging op de communicatie is aangenomen, omdat (ook) sprake was van auditief toezicht. Uit de uitspraak in de zaak Öcalan/Turkey [14] volgt juist dat (uitsluitend) visueel toezicht wel geoorloofd kan zijn. Het beroep van [eiser] op het spoedadvies van de Raad van State (zie 2.13), waaruit volgens hem zou zijn af te leiden dat het in de Wijzigingswet geregelde visuele toezicht wel onrechtmatig is, gaat niet op. Dat advies gaat juist over de amendementen waarin bepaalde vormen van auditief toezicht werden voorgesteld. Dat kennisname van vertrouwelijke communicatie niet is toegestaan is nadrukkelijk door de wetgever onderkend. Het visueel toezicht van artikel 38 lid 8 Pbw Pro, waarin is bepaald dat dit toezicht er niet toe mag leiden dat vertrouwelijke mededelingen bekend worden bij derden, is daarmee niet onmiskenbaar onrechtmatig.
chilling effectkan uitgaan, bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende reden om te twijfelen aan de mededelingen van de Staat over de camera-instellingen in de PI [plaats 1] . Dat bij [eiser]
op redelijke grondende overtuiging bestaat dat de gesprekken met zijn advocaten (zullen) worden afgeluisterd, is in dit kort geding niet aannemelijk geworden. Uit de door de Staat overgelegde foto’s is niet af te leiden dat liplezen en/of meelezen op tafel wel mogelijk is. In het beperkte kader van dit kort geding is geen plaats voor nader een onderzoek naar de vraag of de zorgen van [eiser] (en zijn advocaten) terecht zijn. Indien zij twijfels houden over de inrichting van de spreekkamers in de PI [plaats 1] , is een bodemprocedure aangewezen. Mede gelet op de toezeggingen van de Staat om zo nodig aanvullende waarborgen te treffen – de voorzieningenrechter geeft de Staat in overweging daarover eigener beweging nader met de NovA in overleg te treden – geven de weinig concreet gemaakte zorgen van [eiser] op dit moment geen aanleiding voor ingrijpen door de voorzieningenrechter.