ECLI:NL:RBDHA:2025:22277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
C/09/693567 / KG ZA 25-1047
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3 lid 3 sub a Richtlijn 2013/48/EUArt. 38 lid 8 PbwArt. 40a PbwArt. 23b Penitentiaire maatregel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beperkingen advocaatcontact en faciliteiten gedetineerde in afdeling intensief toezicht

Eiser, gedetineerde en verdachte in meerdere strafzaken, vordert in kort geding buitenwerkingstelling van nieuwe wettelijke bepalingen die sinds 1 november 2025 gelden voor gedetineerden in een afdeling intensief toezicht (AIT). Deze bepalingen beperken het aantal advocaten met geprivilegieerd contact tot twee en stellen visueel toezicht in op advocaatbezoek. Daarnaast vordert eiser het recht om tijdens bezoek documenten uit te wisselen en de toekenning van faciliteiten zoals laptop, printer en telefoon.

De rechtbank oordeelt dat de beperkingen een inbreuk vormen op het recht op vrije advocaatkeuze en een eerlijk proces, maar dat deze beperkingen noodzakelijk en proportioneel zijn gezien het veiligheidsrisico van gedetineerden in AIT. Het recht om extra advocaten te verzoeken en de mogelijkheid tot bezwaar en beroep bieden voldoende waarborgen. Visueel toezicht zonder audio is niet onmiskenbaar onrechtmatig en de inrichting van spreekkamers biedt voldoende bescherming tegen kennisname van vertrouwelijke communicatie.

De vorderingen tot het uitwisselen van documenten en het verkrijgen van faciliteiten zijn niet ontvankelijk, omdat hiervoor een andere rechtsgang openstaat bij de beklagcommissie en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De rechtbank wijst alle vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen van eiser tot buitenwerkingstelling van beperkingen advocaatcontact en toekenning faciliteiten worden afgewezen; eiser is niet ontvankelijk in verzoeken tot uitwisseling documenten en faciliteiten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/693567 / KG ZA 25-1047
Vonnis in kort geding van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser]te [plaats 1] (PI),
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten: mr. J. de Haan, mr. J.W.D. Roozemond en mr. W.B.O. van Soest
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mr. J. Perenboom en mr. M. Beekes.
De zaak in het kort
- Eiser is verdachte in een drietal omvangrijke strafzaken. Hij is gedetineerd en geplaatst in een afdeling intensief toezicht (AIT).
- Op 1 november 2025 is de Penitentiaire Beginselenwet gewijzigd. Sinds die datum gelden voor gedetineerden in een AIT maatregelen die het contact tussen de gedetineerden en hun advocaat beperken. Met deze maatregelen wordt beoogd om misbruik van het vertrouwelijk advocaatcontact tegen te gaan. Deze maatregelen houden onder meer in dat een gedetineerde in beginsel nog maar met twee advocaten geprivilegieerd contact mag hebben en dat er visueel toezicht wordt gehouden op het advocaatbezoek.
- In dit kort geding vordert eiser buitenwerkingstelling van de nieuwe wettelijke bepalingen, omdat hij vindt dat deze bepalingen in strijd zijn met zijn recht op een eerlijk proces. Daarnaast vindt eiser dat hij bij het advocaatbezoek documenten en gegevensdragers moet kunnen uitwisselen met zijn advocaten. Verder wil eiser dat aan hem bepaalde (gecontroleerde) faciliteiten worden toegekend om in de strafzaken zijn eigen verdediging te kunnen voeren.
- De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot het buiten toepassing laten van de nieuwe wettelijke bepalingen af. De maatregelen houden weliswaar een beperking in, maar ze zijn niet zonder meer in strijd met het recht op vrije toegang tot de raadsman of het recht op een eerlijk proces. Hiertoe is van belang dat eiser om bijstand van meer advocaten kan verzoeken en dat tegen een afwijzende beslissing een rechtsgang openstaat. Verder is visueel toezicht (zonder audio) niet zonder meer in strijd met het recht op vertrouwelijke communicatie tussen een gedetineerde en een advocaat. De maatregelen zijn daarom niet onmiskenbaar onrechtmatig.
- Voor het overige wat eiser wil bereiken – het uitwisselen van stukken en de toekenning van bepaalde faciliteiten – staat voor hem een andere rechtsgang open. Dit betekent dat eiser hiervoor niet bij de voorzieningenrechter in kort geding terecht kan. In die vorderingen is eiser niet ontvankelijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 oktober 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties en aanvullende producties;
- de wijziging van eis, met aanvullende producties;
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. [eiser] heeft de mondelinge behandeling door middel van een videoverbinding bijgewoond vanuit de PI [plaats 1] . De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Inleiding
2.1.
[eiser] is verdachte in twee omvangrijke strafzaken. In de strafzaak ‘ [strafzaak 1] ’ wordt hij verdacht van betrokkenheid bij de moord op advocaat [naam] , de advocaat van de kroongetuige in het Marengo-proces . In de zaak ‘ [strafzaak 2] ’ wordt [eiser] verdacht van onder meer poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade. Daarnaast is hem het leiding geven aan een criminele organisatie ten laste gelegd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2024 [1] is [eiser] voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 jaar. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. In het vonnis heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

De moord op [naam advocaat] is professioneel voorbereid. De omgevingen van zijn kantoor en zijn woning zijn wekenlang verkend. Daarbij werd gebruik gemaakt van gestolen auto’s die waren voorzien van valse kentekenplaten en die tussentijds werden ‘gesweept’ en er werd gecommuniceerd via verschillende PGP-telefoons. [verdachte] heeft zich samen met [medeverdachte 6] schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de moord op [naam advocaat]. Door zijn handelwijze heeft hij bewust een bijdrage geleverd aan het nemen van het leven van een ander. Het is ijzingwekkend om te constateren dat [verdachte] op geen enkel moment tijdens de voorbereiding tot bezinning is gekomen, afstand van dit plan heeft genomen en medeverdachten heeft bewogen tot stoppen met hun plan. [verdachte] heeft geen enkele inzage gegeven in zijn motief om zijn medewerking te verlenen aan de voorbereidingen die uiteindelijk ten dienste stonden aan deze moord, die wat de rechtbank betreft direct verband houdt met de werkzaamheden van [naam advocaat] als raadsman van de kroongetuige in de zaak Marengo .
[verdachte] heeft zich verder samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade. (…)
Ook de planning en uitvoering van dit misdrijf worden door de rechtbank als professioneel aangemerkt. De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij deze klus op verzoek van een ander heeft aangenomen. Hij heeft zich laten lenen voor het conflict, voor de eigenrichting van een ander, zoals dit ook bij de moord op [naam advocaat] het geval lijkt te zijn geweest. Uit de OVC-gesprekken na het feit blijkt dat er door [verdachte] lacherig wordt gedaan over wat zich heeft afgespeeld. Hij geeft er hiermee blijk van dat hij totaal geen inzicht heeft in de verwerpelijkheid van zijn gedrag. De rechtbank vindt dat buitengewoon zorgelijk en ernstig.
De poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade heeft plaatsgevonden binnen het kader van een criminele organisatie, waaraan [verdachte] in de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 leiding heeft gegeven. Deze criminele organisatie had tot oogmerk het plegen van misdrijven, te weten (gekwalificeerde) diefstal en opzetheling van voertuigen, voorbereiding van moord, zware mishandeling met voorbedachten rade en het opzettelijk voorhanden hebben en gebruik maken van valse kentekenplaten. Voertuigen werden gestolen en veelal gestald in de garagebox aan de [adres garagebox], die door [verdachte] werd gehuurd. [verdachte] beschikte als heer en meester over de garagebox: hij bepaalde wat er met de voertuigen in de garagebox gebeurde en hij stuurde de overige deelnemers van de organisatie aan. (…) De deelnemers aan deze criminele organisatie hadden ieder hun eigen rol in de taakverdeling. De rechtbank houdt bij het opleggen van een straf rekening met de rol die de [verdachte] in de criminele organisatie had, in die zin dat hij de leider was. Het leiding geven aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd.”
2.2.
Daarnaast wordt [eiser] in de zaak ‘ [strafzaak 3] ’ vervolgd wegens handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie. Bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 april 2024 [2] is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.
Plaatsing in de AIT
2.3.
De huidige detentieperiode van [eiser] is aangevangen op 21 april 2023. Bij beslissing van de selectiefunctionaris van 10 december 2024 is [eiser] geplaatst in de PI [plaats 1] . Daar is [eiser] , net als voordien in de PI [plaats 2] , geplaatst in de afdeling intensief toezicht (AIT). Tegen de beslissing tot plaatsing in de AIT is [eiser] opgekomen bij de beklagcommissie van de PI [plaats 1] . Bij uitspraak van 2 mei 2025 heeft de beklagcommissie de klacht van [eiser] ongegrond verklaard. Vervolgens heeft [eiser] daartegen beroep ingesteld bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). Op dat beroep is nog niet beslist.
2.4.
[eiser] staat op de lijst van gedetineerden ten aanzien van wie sprake is van een vlucht- en/of maatschappelijk risico (GVM-lijst) met de GVM-status ‘hoog’. De
gronden voor plaatsing op de GVM-lijst zijn ‘(risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde’ (de e-grond) en ‘ondermijning van gezag van directie en
personeel van de inrichting’ (de e-grond).
2.5.
Over zijn plaatsing op de GVM-lijst heeft [eiser] meerdere procedures gevoerd, waarin zijn vorderingen telkens zijn afgewezen. In een kortgedingvonnis van deze rechtbank van 23 juli 2025 [3] heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de grond (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen in detentie (VCHD, de b-grond) zonder nadere (adequate) toelichting tot aan een volgende gemotiveerde beslissing van de selectiefunctionaris niet langer gehanteerd mag worden, maar dat de overige gronden (de c- en e- grond) ieder voor zich en in samenhang bezien de beslissing om voor [eiser] de GVM-status ‘hoog’ te handhaven kunnen dragen. Met betrekking tot de b-grond heeft de voorzieningenrechter in dat vonnis overwogen dat de in de verslaglegging van het Operationeel Overleg (hierna: OO) vermelde verwijten over versluierd taalgebruik onvoldoende waren om daaruit een vermoeden te ontlenen van betrokkenheid bij voortgezet crimineel handelen in detentie.
2.6.
Bij selectieadvies van 24 oktober 2025 is [eiser] opnieuw voorgedragen voor plaatsing in de AIT. In dit advies wordt verwezen naar een rapport van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) van 1 augustus 2025.
Wijziging Pbw en RSPOG
2.7.
Op 1 november 2025 is de Wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie (hierna: de Wijzigingswet) in werking getreden. [4] Daarnaast is met ingang van diezelfde datum de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: RSPOG) gewijzigd.
2.8.
De wijziging van de RSPOG brengt mee dat de beslissing om gedetineerden te plaatsen in een AIT met ingang van 1 november 2025 wordt genomen door (de selectiefunctionaris namens) de minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister). Vóór 1 november 2025 besliste de directeur van de PI daarover. De plaatsingsbeslissing geldt voor de duur van 12 maanden, waarna deze kan worden verlengd, Tegen de beslissing van de Minister tot plaatsing in de AIT of verlenging van die plaatsing staat beroep open bij de RSJ. Bij wijze van overgangsrecht is bepaald dat de wijzigingen van de RSPOG gedurende de eerste vier maanden na de inwerkingtreding geen gevolgen hebben ten aanzien van de eerder door de directeur van de PI genomen beslissingen tot plaatsing in een AIT.
2.9.
Ten tijde van de mondelinge behandeling in dit kort geding was ten aanzien van de plaatsing van [eiser] nog geen nieuwe plaatsingsbeslissing genomen.
2.10.
Met de wijziging van Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw) wordt beoogd crimineel handelen vanuit detentie tegen te gaan. De wet geeft de Minister de mogelijkheid om het contact tussen de gedetineerde en de buitenwereld te beperken. In dat kader bevat de wet voor gedetineerden die geplaatst zijn in een extra beveiligde inrichting (EBI) of in een AIT een aantal generieke maatregelen die tot doel hebben om misbruik van het geprivilegieerde contact tussen de gedetineerden en hun rechtsbijstandverleners tegen te gaan. Het gaat hierbij onder meer om beperking van het aantal rechtsbijstandverleners dat geprivilegieerde contact mag hebben met een gedetineerde en om visueel toezicht op het bezoek van een rechtsbijstandverlener aan de gedetineerde.
2.11.
In artikel 38 lid 8 Pbw Pro is bepaald dat visueel toezicht wordt gehouden op het bezoek van rechtsbijstandverleners aan de gedetineerde in een EBI of een AIT. Hierbij is bepaald dat dit toezicht er niet toe mag leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud bij derden bekend kunnen worden. In artikel 23 b Penitentiaire maatregel [5] zijn nadere voorschriften opgenomen over de uitvoering van dit visueel toezicht:

1. De gedetineerde en de rechtsbijstandverlener worden op de hoogte gesteld van het visueel toezicht op gesprekken tussen de gedetineerde en de rechtsbijstandverlener als bedoeld in artikel 38, achtste lid, van de wet.
2. Het visueel toezicht vindt plaats door middel van cameraobservatie. De camerabeelden worden terstond na het gesprek gewist.
3. In afwijking van het tweede lid worden de camerabeelden bewaard als een ambtenaar of medewerker bij de inrichting of afdeling het gesprek tussen de gedetineerde en de rechtsbijstandverlener onderbreekt en de directeur na het horen van de ambtenaar of medewerker beslist tot beëindiging van het gesprek.
4. De op grond van het derde lid bewaarde camerabeelden worden verwijderd zes weken na het verstrijken van de beklagtermijn als bedoeld in artikel 61, vijfde lid, van de wet, tenzij beklag is ingesteld. In dat geval volgt verwijdering zes weken na het verstrijken van de beroepstermijn als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, tenzij beroep is ingesteld. In dat geval volgt verwijdering de dag na de uitspraak van de beroepscommissie.
5. In het kader van het in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet bedoelde toezicht licht de directeur de deken in het arrondissement waar de rechtsbijstandverlener kantoor houdt in over het beëindigen van een gesprek, als bedoeld in het derde lid.
2.12.
In artikel 40a Pbw wordt het aantal rechtsbijstandverleners dat geprivilegieerd contact mag hebben met een gedetineerde in een EBI of een AIT beperkt tot twee. Correspondentie met andere rechtsbijstandsverleners wordt niet uitgereikt en niet verzonden. Ook kunnen met die andere rechtsbijstandsverleners geen vertrouwelijke telefonische contacten of bezoekmomenten plaatsvinden. Wel kan een gedetineerde in een met redenen omkleed verzoekschrift aan de Minister verzoeken om vanwege bijzondere omstandigheden een of meer andere rechtsbijstandverleners aan te wijzen die (geprivilegieerde) toegang hebben tot de gedetineerde. In artikel 31 Penitentiaire Pro maatregel is bepaald dat op een dergelijk verzoek zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen een maand wordt beslist. Tegen de afwijzing van zo’n verzoek kan een gedetineerde een bezwaarschrift indienen en tegen de beslissing op het bezwaarschrift staat beroep open bij de beroepscommissie van de RSJ.
2.13.
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Pbw zijn twee amendementen aangenomen die
auditieftoezicht op het geprivilegieerde contact tot generieke maatregel maakte. Naar aanleiding hiervan heeft de Minister de Raad van State verzocht met spoed te adviseren over deze amendementen en hun verhouding tot de grondrechten. In zijn spoedadvies van 24 april 2024 [6] heeft de Raad van State vervolgens geconcludeerd dat de beide amendementen onverenigbaar zijn met de Grondwet, het EVRM en het Unierecht. In het advies van de Raad van State staat onder meer het volgende:

Dat van gedetineerden die in de EBI of op de AIT worden geplaatst een bijzonder gevaar uitgaat, is op zichzelf onvoldoende om het maken en bewaren van opnames te rechtvaardigen. Dat gevaar kan immers van verschillende aard zijn en brengt niet als zodanig een risico op misbruik van vertrouwelijke communicatie met zich mee. Hierbij is onder meer van belang dat voor zowel de EBI als de AIT ruime plaatsingscriteria zijn geformuleerd, waardoor daar gedetineerden kunnen verblijven van wie verschillende soorten en gradaties van risico’s uitgaan. (...) Om van een risico op misbruik van vertrouwelijke communicatie te spreken moeten er concrete aanwijzingen bestaan dat die communicatie door een bepaalde gedetineerde wordt misbruikt. Slechts een veronderstelling dat mogelijk sprake is van misbruik van de communicatie is onvoldoende. (...)
2.14.
Uiteindelijk is de Wijzigingswet door de amendementen toch in werking getreden met audiovisueel toezicht op geprivilegieerd contact van gedetineerde in de EBI en in de
AIT als generieke maatregel. Door gelijktijdige inwerkingtreding van de Wet van 14 juli 2025 tot wijziging van het voorstel van wet houdende wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie [7] is (onder meer) het audiovisueel toezicht weer uit de Pbw gehaald.
Faciliteiten
2.15.
Tijdens zijn huidige detentieperiode heeft [eiser] meerdere keren aan de directeur van de PI verzocht om toekenning van extra faciliteiten om zijn eigen verdediging te kunnen voeren. Deze faciliteiten betreffen onder meer een laptop met specifieke software voor de analyse van gegevens, gecontroleerde toegang tot intranet (met toegang tot rechtspraak en andere websites met jurisprudentie), een printer met kopieerfunctie (al dan niet door het plaatsen van een printer op de afdeling) en de verstrekking van een telefoon waarmee hij contact kan onderhouden met rechterlijke instanties en deskundigen.
2.16.
In de zaak [strafzaak 3] (zie 2.2) heeft [eiser] zijn eigen verdediging gevoerd. In die strafzaak heeft [eiser] als verweer gevoerd dat er volgens hem geen sprake was van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Op dat punt heeft de rechtbank Overijssel in rechtsoverweging 3.3.3.2 van het vonnis van 15 april 2024 het volgende overwogen:

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zelf heeft gekozen om zijn verdediging te voeren terwijl hij in detentie zat en dus onderworpen was aan de regels en (on)mogelijkheden die gelden voor een gedetineerde. Weliswaar zijn op meerdere momenten verzoeken tot het verkrijgen van bepaalde faciliteiten afgewezen, ingegeven door het geldende veiligheidsregime in de penitentiaire inrichting, maar de rechtbank heeft compenserende voorzieningen getroffen, zoals bijvoorbeeld het opdragen aan het openbaar ministerie verdachte de delen Strafrecht en Strafvordering van Tekst & Commentaar te verstrekken en verdachte meer tijd te gunnen voor het formuleren van onderzoekswensen toen hij op de eerste regie zitting nog niet voldoende in staat was deze te formuleren. Hiermee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank adequaat op de door hem verkozen wijze zijn verdediging kunnen voeren.
2.17.
In het hoger beroep van de strafzaken [strafzaak 1] en [strafzaak 2] (zie 2.1) heeft [eiser] het Gerechtshof Amsterdam om aanvullende faciliteiten verzocht. Met betrekking dit verzoek heeft het hof overwogen dat er in het licht van het te waarborgen eerlijke proces geen grond bestaat om de door [eiser] kennelijk gewenste faciliteiten te bieden, voor zover de strafrechter daartoe al enige bevoegdheid zou hebben.
2.18.
Op 1 januari 2025 heeft [eiser] de directeur van de PI om extra faciliteiten verzocht, te weten, een laptop met internet, onbeperkt toegang tot een (mobiele)telefoon en een printer met kopieerfunctie. De directeur heeft dit verzoek afgewezen. Tegen deze beslissing heeft [eiser] een klaagschrift ingediend bij de beklagcommissie van de PI.
2.19.
Bij beslissing van 4 april 2025, (uitgereikt op 2 mei 2025) heeft de beklagcommissie geoordeeld dat de directeur dit verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd en de directeur opgedragen om binnen drie weken een nieuwe beslissing te nemen. Tegen deze beslissing heeft de directeur beroep ingesteld. Bij beslissing van 22 oktober 2025 heeft de beroepscommissie van de RSJ het beroep van de directeur afgewezen.
2.20.
Op 20 mei 2025 heeft de directeur van de PI [plaats 1] een nieuwe beslissing genomen en het verzoek om extra faciliteiten, op gewijzigde gronden, afgewezen. Tegen deze beslissing heeft [eiser] een klaagschrift ingediend bij de beklagcommissie van de PI.
2.21.
Bij beslissing van 1 oktober 2025 heeft de beklagcommissie het klaagschrift van [eiser] deels, voor wat betreft de toegang tot het intranet, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. Met betrekking tot de toegang tot het intranet heeft de beklagcommissie overwogen dat de directeur onvoldoende heeft onderzocht of aan [eiser] toegang kan worden verleend tot een beperkt aantal beveiligde websites, zoals die van de rechtspraak, en welke veiligheidsrisico’s daaraan zijn verbonden.
2.22.
Op 5 oktober 2025 heeft [eiser] de directeur van de PI [plaats 1] opnieuw verzocht om toekenning van bepaalde faciliteiten voor het voeren van zijn strafzaak. Bij beslissing van 4 november 2025 heeft de directeur dit verzoek afgewezen.
Verzoek om bijstand door meerdere advocaten
2.23.
In oktober 2025 heeft [eiser] door middel van het formulier “
Verzoek aan de Minister om één of meer andere rechtsbijstandsverleners” verzoeken gedaan aan de Minister om zich te laten bijstaan door de advocaten mr. De Haan, mr. Roozemond en mr. Van Soest. Op deze verzoeken is nog geen beslissing genomen.

3.Het geschil

3.1.
Na wijziging van eis vordert [eiser] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
ten aanzien van het vrij verkeer met een raadsman
I. primair artikel 38 lid 8 PBW Pro buiten werking stellen en subsidiair de Staat te verbieden om [eiser] te belemmeren in de toegang tot een raadsman en de Staat daarom te gebieden om hem in de gelegenheid te stellen te overleggen met alle advocaten die hij wenst, waaronder in ieder geval mr. J. de Haan, mr. J.W.D. Roozemond, mr. W.B.O. van Soest en de in de dagvaarding vermelde advocaten, dan wel enige advocaat;
II. primair artikel 40a PBW buiten werking te stellen en subsidiair de Staat te verbieden om de fysieke gesprekken tussen [eiser] en zijn advocaten te monitoren middels cameratoezicht tenzij voor deze opnames toestemming is verstrekt door de rechter-commissaris in het kader van een vordering ex artikel 126l of 126m Sv;
III. de Staat te gebieden om [eiser] in de gelegenheid te stellen om documenten en informatie of een gegevensdrager (USB-stick) met zijn advocaten uit te wisselen;
ten aanzien van de faciliteiten
IV. de Staat opdracht te geven om [eiser] in het bezit te stellen van een laptop waarmee hij met (offline) software analyses kan uitvoeren van het tegen hem verzamelde bewijsmateriaal in de strafzaken;
V. de Staat te gebieden om [eiser] (in het bezit te stellen van een laptop) met toegang tot het intranet;
VI. de Staat te gebieden om [eiser] toegang te geven tot een printer;
VII. de Staat te gebieden om [eiser] in de gelegenheid te stellen om te bellen en mailen met gerechtelijke instanties;
een en ander op straffe van een dwangsom;
VIII. oplegging van een voorziening die de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;
alles met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, dan wel met compensatie van de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de gewijzigde vordering het volgende ten grondslag.
3.2.1.
De artikelen 38 lid 8 en artikel 40a Pbw zijn onmiskenbaar onrechtmatig ten opzichte van [eiser] en alle gedetineerden die zich in een EBI of een AIT bevinden. De in die bepalingen opgelegde generieke maatregelen – de beperking van het aantal advocaten met geprivilegieerde toegang en het visueel toezicht op het advocaatcontact – zijn in strijd met artikel 6 EVRM Pro en artikel 3 lid 3 onder Pro a Richtlijn 2013/48/EU. De aan [eiser] opgelegde maatregelen vormen een ernstige inmenging in zijn rechten op effectieve rechtsbijstand en een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze generieke maatregelen voldoen niet aan de geïndividualiseerde noodzakelijkheidstoets. Verder is van belang dat de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 23 juli 2025 heeft geoordeeld dat ten aanzien van [eiser] geen sprake is van voortgezet crimineel handelen in detentie.
3.2.2.
Verder is sinds 1 november 2025 de uitwisseling van stukken tussen advocaten en cliënten tijdens het bezoek in de PI [plaats 1] niet langer toegestaan. Ook deze beperking is in strijd met het recht op effectieve rechtsbijstand en een eerlijk proces.
3.2.3.
Daarnaast wenst [eiser] te beschikken over faciliteiten als een laptop met bepaalde software, een printer, beperkte toegang tot het intranet en een telefoon met een whitelist om in de complexe en omvangrijke strafzaken zijn eigen verdediging te kunnen voeren. Hoewel hij in de beklagprocedure op een aantal punten in het gelijk is gesteld, spant de directeur van de PI zich op geen enkele wijze in om [eiser] deze faciliteiten te verstrekken. Omdat de beklagcommissie geen beslissing kan nemen die erop neerkomt dat [eiser] de directeur de faciliteiten daadwerkelijk verstrekt, heeft [eiser] belang bij een voorziening in kort geding.
3.2.4.
Aangezien er op meerdere manieren inbreuk wordt gemaakt op het recht van [eiser] om zich adequaat te kunnen verdedigen in de strafzaken, heeft hij bij zijn vorderingen een spoedeisend belang.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert voor een deel van de vorderingen van [eiser] tot niet-ontvankelijkheid en overigens tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
De voorzieningenrechter is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] . Wanneer er echter een andere rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil en de rechtsgang bij die andere rechter ter zake van het geschil voldoende rechtsbescherming biedt, moet [eiser] in zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard. In dat verband moet worden getoetst of er voor [eiser] een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat die kan leiden tot een resultaat dat vergelijkbaar is met wat hij in kort geding heeft gevorderd. Dit zal per vordering worden beoordeeld.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of (i) de sinds 1 november 2025 geldende wijzigingen van de Pbw voor wat betreft de numerieke beperking van het aantal advocaten en het visueel toezicht op advocaatbezoek buiten werking moet worden gesteld, dan wel jegens [eiser] buiten toepassing moet worden gelaten; (ii) of de Staat [eiser] in de gelegenheid moet stellen om – tijdens het advocaatbezoek – met zijn advocaten documenten of een gegevensdrager uit te wisselen; en (iii) of de Staat verplicht is de door [eiser] gevraagde faciliteiten aan hem ter beschikking te stellen.
Beperking aantal advocaten en visueel toezicht
Toetsingskader
4.3.
[eiser] vordert primair de buitenwerkingstelling van de per 1 november 2025 gewijzigde artikelen 38 lid 8 Pbw en 40a Pbw en subsidiair om deze bepalingen buiten toepassing te laten. Voor deze vorderingen (de vorderingen I en II) staat [eiser] geen andere met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang ten dienste, zodat hij in deze vorderingen ontvankelijk is.
4.4.
De bepalingen waartegen [eiser] opkomt betreffen wetgeving in formele zin. Het in artikel 94 Grondwet Pro bepaalde brengt mee dat de rechter wetgeving in formele zin slechts kan toetsen aan een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van internationale volkenrechtelijke organisaties. Daarbij geldt dat het bij uitstek de taak van de wetgever is om bij het vaststellen van wetgeving alle in het geding zijnde argumenten en belangen tegen elkaar af te wegen. De burgerlijke rechter kan deze wetgeving slechts zeer terughoudend toetsen. Dit geldt nog meer voor een kort geding, waarin slechts voorlopige oordelen kunnen worden gegeven. Op grond van vaste jurisprudentie is een vordering tot het buiten toepassing laten van deze wettelijke bepalingen in kort geding alleen toewijsbaar indien en voor zover deze
onmiskenbaaronverbindend zijn wegens strijd met eenieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Dit kader staat tussen partijen terecht niet ter discussie.
Buitenwerkingstelling of buiten toepassing laten
4.5.
In een kort geding kunnen slechts voorlopige voorzieningen worden getroffen. Buitenwerkingstelling van de wettelijke bepalingen, zoals primair door [eiser] gevorderd, heeft een verstrekkend karakter en raakt ook aan de belangen van derden, die geen partijen zijn in deze procedure. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of de subsidiaire vordering van [eiser] om de Staat te gebieden de bepalingen voor hem buiten toepassing te laten, op basis van de door hem aangevoerde gronden toewijsbaar is.
Wijzigingen Pbw
4.6.
Volgens de wetsgeschiedenis wordt met de wijziging van de Pbw beoogd om het toezicht op gedetineerden van wie een ernstige dreiging voor de samenleving uitgaat, te versterken. Hierbij wordt gedacht aan gedetineerden afkomstig uit de georganiseerde (drugs)criminaliteit, die beschikken over macht en middelen en daarom ook vanuit detentie een grote bedreiging voor de openbare orde, veiligheid en democratische rechtsstaat kunnen vormen. De gewijzigde Pbw geeft de Minister de mogelijkheid om het contact tussen de gedetineerde en de buitenwereld te beperken. Onderdeel hiervan is dat ook het contact van de in de EBI of een AIT geplaatste gedetineerde met zijn rechtsbijstandsverleners aan beperkingen en aan toezicht wordt onderworpen. Het doel van deze maatregelen is om (mogelijk) misbruik van het geprivilegieerde contact tussen de rechtsbijstandverlener en de gedetineerde te voorkomen. Deze maatregelen betreffen voor zover in dit kort geding van belang het beperken van het aantal rechtsbijstandverleners dat toegang heeft tot de gedetineerde en het houden van visueel toezicht op het advocaatbezoek.
4.7.
Deze maatregelen gelden voor alle gedetineerden die geplaatst zijn in de EBI of een AIT. Daarmee hebben de maatregelen een generiek karakter voor deze groepen van gedetineerden. [eiser] is in een AIT geplaatst op grond van de beslissing van de directeur van de PI [plaats 1] van december 2024. Met ingang van 1 november 2025 wordt de beslissing tot plaatsing in een AIT genomen door de Minister. Op grond van het overgangsrecht is de beslissing van de directeur na inwerkingtreding van de Wijzigingswet evenwel nog vier maanden geldig. Volgens de Staat wordt de plaatsingsbeslissing van de Minister ten aanzien van [eiser] verwacht op 25 november 2025. Op grond van het selectieadvies van 24 oktober 2025 (zie 2.6), waarin volgens de Staat rekening is gehouden met de wetswijziging, en zijn GVM-status is aannemelijk dat plaatsing van [eiser] in de AIT op dit moment geïndiceerd is. Het feit dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank in het kortgedingvonnis van 23 juli 2025 (zie 2.5) heeft geoordeeld dat de in de verslaglegging van het OO vermelde verwijten over versluierd taalgebruik onvoldoende waren om daaruit een vermoeden te ontlenen van betrokkenheid bij voortgezet crimineel handelen in detentie, maakt het voorgaande niet anders. In dit verband is van belang dat [eiser] verdacht wordt van lidmaatschap van een criminele organisatie en dat vermoedens bestaan dat hij beschikt over macht en middelen die een veiligheidsrisico opleveren voor de inrichting. Tegen deze achtergrond en omdat er in het selectieadvies rekening gehouden zou zijn met de nieuwe maatregelen die verbonden zijn aan de (voortgezette) plaatsing van [eiser] in de AIT, is – anders dan [eiser] heeft betoogd – voor het opleggen van die maatregelen een nadere op [eiser] afgestemde beoordeling ten aanzien van (mogelijk) misbruik van advocaatcontacten in dit stadium niet vereist.
4.8.
Voormelde maatregelen vormen een beperking ten opzichte van de situatie vóór 1 november 2025. Tussen partijen is niet in geschil dat deze beperkingen raken aan het recht op vrije advocaatkeuze en het recht op vrije toegang tot de raadsman, die samenhangen met het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in – de eenieder verbindende bepaling – artikel 6 lid 3 EVRM Pro [8] . Tegenover het standpunt van [eiser] dat deze beperkingen een onrechtmatige inbreuk vormen op zijn rechten, heeft de Staat aangevoerd dat de maatregelen noodzakelijk en proportioneel zijn, gelet op de hoge risico’s die gevormd worden door de in de EBI of een AIT geplaatste gedetineerden.
4.9.
Artikel 6 lid 3 EVRM Pro luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:

3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
(...)
(...)
te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
Beperking van het aantal advocaten met geprivilegieerde toegang
4.10.
Het recht op een eerlijk proces houdt onder meer in dat een verdachte het recht heeft zich zelf te verdedigen of daarbij bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze. Daarnaast voorziet artikel 3 lid 3 sub a van Pro Richtlijn 2013/48/EU [9] erin dat gedetineerden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren.
4.11.
Op grond van vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) is het recht op vrije advocaatkeuze niet onbeperkt. De Staat dient rekening te houden met de wensen van de verdachte, maar deze wensen mogen worden beperkt indien daarvoor “
relevant and sufficient reasons” bestaan. Als die redenen er niet zijn, kan zo’n beperking een schending van artikel 6 EVRM Pro lid 1 en 3 opleveren “
if it adversely affected the applicant’s defence, regard being had to the proceedings as a whole [10] .
4.12.
Artikel 40a Pbw beperkt het aantal rechtsbijstandverleners met vrije toegang tot de gedetineerde in een AIT, in beginsel, tot twee, daar waar [eiser] het mede in verband met de omvang en de complexiteit van de strafzaken voor zijn verdediging noodzakelijk acht dat hij geprivilegieerd contact kan hebben met ten minste vijf advocaten. Op grond van artikel 40a lid 6 Pbw kan [eiser] de Minister verzoeken om door een of meer extra advocaten te mogen worden bijgestaan. Tegen een afwijzende beslissing staat beklag en beroep open. In die rechtsgang kan [eiser] ook aan de orde stellen of de door vereiste onderbouwing van verzoeken in strijd is met het verschoningsrecht.
4.13.
Gelet op het feit dat [eiser] zelf mag kiezen met welke twee rechtsbijstandverleners hij geprivilegieerd contact heeft en omdat er een rechtsgang openstaat tegen een afwijzing van het verzoek om door een of meer extra rechtsbijstandverleners te worden bijgestaan, is naar voorlopig oordeel geen sprake van een onrechtmatige beperking van het recht op een vrije advocaatkeuze. Anders dan [eiser] heeft betoogd, volgt uit de door hem aangehaalde uitspraken van het EHRM niet de dat een niet-absolute numerieke beperking van het aantal advocaten met toegang tot een verdachte op voorhand schending oplevert van artikel 6 EVRM Pro. Dit kan in ieder geval niet worden afgeleid uit de zaak Dvorski/Croatia [11] . In die zaak werd een schending van artikel 6 lid 3 EVRM Pro aangenomen, omdat daar een andere advocaat was toegewezen dan de voorkeursadvocaat van de betreffende verdachte. Dat is niet te vergelijken met de situatie onder artikel 40a Pbw, waarin een verdachte twee eigen advocaten kan aanwijzen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is artikel 40a Pbw daarmee niet onmiskenbaar onrechtmatig. Dat betekent dat de vordering onder I. wordt afgewezen.
4.14.
Het feit dat [eiser] na 1 november 2025 geen geprivilegieerd contact meer heeft gehad met twee van de drie advocaten die hem in dit kort geding bijstaan, maakt het voorgaande niet anders. Dit is het gevolg van het feit dat [eiser] om hem moverende redenen ervoor heeft gekozen om andere rechtsbijstandverleners op te geven dan de advocaten die hem in dit kort geding bijstaan en er voorafgaand aan dit kort geding nog niet op het verzoek om bijstand van een of meer extra advocaten was beslist. Dit roept hooguit vragen op over de snelheid waarmee op dergelijke verzoeken wordt beslist, maar is op dit moment onvoldoende grond om de numerieke beperking van het aantal advocaten ten aanzien van [eiser] buiten toepassing te laten.
Visueel toezicht
4.15.
In artikel 38 lid 8 Pbw Pro is bepaald dat visueel toezicht wordt gehouden op het contact tussen de gedetineerde in de EBI of een AIT en de rechtsbijstandverlener. Hierbij is opgenomen dat dit toezicht er niet toe mag leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud bij derden bekend kunnen worden.
4.16.
Zoals hiervoor is overwogen hebben gedetineerden het recht om de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM moet deze communicatie plaatsvinden “
out of the hearing of third parties”. Het gaat er hierbij om dat de communicatie voor wat betreft de inhoud vrij en onbeperkt dient te zijn. Een schending van dit recht kan ook worden aangenomen indien er niet daadwerkelijk is afgeluisterd, maar wanneer wel – op redelijke gronden – de overtuiging bestaat dat gesprekken worden afgeluisterd (het zogenoemde
chilling effect). Anders dan [eiser] heeft betoogd, vormt enkel visueel toezicht (dus zonder audio) niet zonder meer een inmenging in de vertrouwelijke communicatie tussen een gedetineerde en zijn raadsman. De door [eiser] aangehaalde uitspraken van het EHRM (onder meer Sakhnovskiy/Russia [12] en Öcalan/Turkey [13] ) betreffen zaken waarin onrechtmatige inmenging op de communicatie is aangenomen, omdat (ook) sprake was van auditief toezicht. Uit de uitspraak in de zaak Öcalan/Turkey [14] volgt juist dat (uitsluitend) visueel toezicht wel geoorloofd kan zijn. Het beroep van [eiser] op het spoedadvies van de Raad van State (zie 2.13), waaruit volgens hem zou zijn af te leiden dat het in de Wijzigingswet geregelde visuele toezicht wel onrechtmatig is, gaat niet op. Dat advies gaat juist over de amendementen waarin bepaalde vormen van auditief toezicht werden voorgesteld. Dat kennisname van vertrouwelijke communicatie niet is toegestaan is nadrukkelijk door de wetgever onderkend. Het visueel toezicht van artikel 38 lid 8 Pbw Pro, waarin is bepaald dat dit toezicht er niet toe mag leiden dat vertrouwelijke mededelingen bekend worden bij derden, is daarmee niet onmiskenbaar onrechtmatig.
4.17.
[eiser] heeft betoogd dat de inrichting van de spreekkamers in de PI zodanig is dat het visueel toezicht ertoe leidt dat er, in strijd met artikel 38 lid 8 Pbw Pro, wel kennis genomen wordt van vertrouwelijke communicatie. Hij heeft in dit verband gesteld dat de posities van de camera’s zodanig zijn dat het niet anders kan zijn dat door middel van liplezen en of het meelezen van stukken op tafel kennis kan worden genomen van vertrouwelijke communicatie. Hiertegenover heeft de Staat aangevoerd onder verwijzing naar foto’s dat de camera’s zodanig zijn gepositioneerd dat er geen volledig zicht is op de gedetineerde en zijn rechtsbijstandverlener, zodat liplezen niet mogelijk is. De Staat heeft verder gesteld dat het met software zo is geregeld dat geen kennis genomen kan worden van stukken of digitale gegevensdragers die op tafel liggen. Daarnaast heeft de Staat aangevoerd dat het technisch onmogelijk is om te zoomen, zodat de toezichthoudend medewerker van de PI niet kan inzoomen om stukken te lezen.
4.18.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van [eiser] nog gesteld dat de gebruikte camera’s vergelijkbaar zijn met die in China worden gebruikt, dat liplezen daarmee wel mogelijk is en dat deze camera’s kunnen worden gebruikt om gedrag te interpreteren en daaraan conclusies te verbinden. De Staat heeft deze stellingen betwist. Daarnaast heeft de Staat verklaard dat hij naar aanleiding van gesprekken met Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) extra waarborgen heeft getroffen en dat er niet eerder zorgen zijn geuit met betrekking tot toezicht door middel van AI. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat DJI bereid is om te kijken of bepaalde zorgen vanuit de advocatuur met aanvullende waarborgen kunnen worden weggenomen. In dat kader heeft de Staat de advocaten van [eiser] geadviseerd zich te wenden tot NOvA indien zij verdere vragen hebben.
4.19.
Hoewel niet valt uit te sluiten dat van vragen over (de instellingen van) de aanwezige camera’s enig
chilling effectkan uitgaan, bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende reden om te twijfelen aan de mededelingen van de Staat over de camera-instellingen in de PI [plaats 1] . Dat bij [eiser]
op redelijke grondende overtuiging bestaat dat de gesprekken met zijn advocaten (zullen) worden afgeluisterd, is in dit kort geding niet aannemelijk geworden. Uit de door de Staat overgelegde foto’s is niet af te leiden dat liplezen en/of meelezen op tafel wel mogelijk is. In het beperkte kader van dit kort geding is geen plaats voor nader een onderzoek naar de vraag of de zorgen van [eiser] (en zijn advocaten) terecht zijn. Indien zij twijfels houden over de inrichting van de spreekkamers in de PI [plaats 1] , is een bodemprocedure aangewezen. Mede gelet op de toezeggingen van de Staat om zo nodig aanvullende waarborgen te treffen – de voorzieningenrechter geeft de Staat in overweging daarover eigener beweging nader met de NovA in overleg te treden – geven de weinig concreet gemaakte zorgen van [eiser] op dit moment geen aanleiding voor ingrijpen door de voorzieningenrechter.
4.20.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering onder II moet worden afgewezen.
Uitwisselen documenten
4.21.
[eiser] heeft gesteld dat het voor zijn verdediging noodzakelijk is dat hij tijdens de bezoeken van zijn advocaten gegevens kan uitwisselen. Volgens hem is dit sinds 1 november 2025 niet langer toegestaan. Hiertegenover heeft de Staat aangevoerd dat deze regel al langer was opgenomen in onderdeel 3.8.2 van de huisregels van de PI [plaats 1] en dat [eiser] daartegen kan opkomen bij de beklagcommissie en (de beroepscommissie van) de RSJ. Verder heeft de Staat erop gewezen dat [eiser] en zijn advocaten zelfstandig over het (digitale) strafdossier beschikken, dat uitwisseling van gegevens per (geprivilegieerde) post mogelijk is, zodat niet valt in te zien waarom uitwisseling van (grote delen van) het dossier tijdens het advocaatbezoek nodig zou zijn.
4.22.
De rechtsgang bij de beklagcommissie en (de beroepscommissie van) de RSJ is een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang (waarin ook toetsing aan bepalingen van het EVRM kan plaatsvinden), zodat de weg naar de burgerlijke rechter in beginsel is afgesloten. Hoewel dat wel op zijn weg lag, heeft [eiser] geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen volgen dat hij op dit punt die rechtsgang niet kan afwachten. [eiser] is daarom niet ontvankelijk in zijn vordering onder III.
Faciliteiten
4.23.
[eiser] heeft meerdere keren verzocht om de toekenning van (gecontroleerde) faciliteiten om in de strafzaken zijn eigen verdediging te kunnen voeren. Toekenning van deze faciliteiten is door de directeur van de PI [plaats 1] het afgelopen jaar drie keer geweigerd, laatstelijk op 4 november 2025. Tegen deze weigering staat beklag en beroep open en [eiser] heeft ook van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Zoals hiervoor al (zie 4.22) is overwogen is de rechtsgang bij de RSJ een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Dit betekent in beginsel dat [eiser] ook in deze vorderingen niet ontvankelijk moet worden verklaard.
4.24.
[eiser] heeft gesteld dat de rechtsgang bij de RSJ hem onvoldoende rechtsbescherming biedt, omdat hij ondanks de beslissing van de beklagcommissie van 4 april 2025 nog altijd niet over de door hem gewenste faciliteiten beschikt. Volgens [eiser] kunnen de beklagrechter en de RSJ bovendien geen beslissing nemen die erop neerkomt dat de directeur de faciliteiten daadwerkelijk verstrekt. Dit betoog kan niet worden gevolgd. Uit artikel 68 lid 3 sub b Pbw Pro in verbinding met artikel 71 lid 2 en Pro 3 Pbw volgt dat zowel de beklagcommissie als de RSJ kunnen bepalen dat hun uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Dit betekent dat de uitspraak van de beklagcommissie en/of de RSJ ertoe zou moeten kunnen leiden dat de faciliteiten wel worden verstrekt. Anders dan [eiser] heeft gesteld is er geen grond om aan te nemen dat dit bij de verstrekking van faciliteiten niet mogelijk zou zijn. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat de beklagcommissie in haar uitspraak van 4 april 2025 niet heeft geoordeeld dat aan [eiser] bepaalde faciliteiten ter beschikking moeten worden gesteld, maar slechts dat de weigering tot het toekennen van die faciliteiten onvoldoende was gemotiveerd. Anders dan [eiser] lijkt te veronderstellen heeft hij geen absoluut recht op de door hem gewenste faciliteiten om zijn eigen verdediging te kunnen voeren. Dat [eiser] met het oog op een eerlijke procesvoering over deze faciliteiten zou moeten kunnen beschikken volgt in ieder geval niet uit het vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 april 2024 (zie 2.16) dan wel de beslissingen van het hof (zie 2.17). Zoals zowel door de strafrechter als door de beklagcommissie is overwogen dient het belang van [eiser] om over de volgens hem noodzakelijke extra faciliteiten te beschikken, te worden afgewogen tegenover het belang van de directeur van de PI om de orde en veiligheid binnen de PI te waarborgen. Dit is bij uitstek een afweging van de directeur, waartegen beklag en beroep openstaan. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op de penitentiaire rechtsgang vooruit te lopen.
Slotsom en proceskosten
4.25.
De slotsom is dat [eiser] niet ontvankelijk is de vorderingen III tot en met VII en dat de overige vorderingen worden afgewezen. [eiser] is in het ongelijk gesteld en hij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00
4.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart [eiser] niet ontvankelijk in de vorderingen onder III, IV, V, VI en VII;
5.2.
wijst de vorderingen van [eiser] voor het overige af;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten €1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
WJ

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 15 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1406.
2.Rechtbank Overijssel 15 april 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2048.
3.Voorzieningenrechter rechtbank Den Haag 23 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18230
4.Staatsblad 2025, 197 en Staatsblad 2025, 198.
5.Besluit van 23 februari 1998, houdende vaststelling van de Penitentiaire maatregel en daarmee verband houdende wijziging van enige andere regelingen (Penitentiaire maatregel).
6.Geamendeerd voorstel van wet tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie,
7.Staatsblad 2025, 198
8.Het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
9.Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, PB L 294 van 6.11.2013, pp. 1–12
10.EHRM 8 juni 2022, Elif Nazan Şeker/Turkey, nr. 41954/10) rov. 43-45.
11.EHRM 20 oktober 2015, Dvorski/Croatia, nr. 25703/11.
12.EHRM 2 november 2010, Sakhnovskiy/Russia, nr. 21272/03.
13.EHRM 12 mei 2005, Öcalan/Turkey, nr. 46221/99.
14.EHRM 12 mei 2005, Öcalan/Turkey, nr. 46221/99, rov 133.