ECLI:NL:RBDHA:2025:22279

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.45899
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 76 VwArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt minister tot tijdige beslissing op bezwaar nareisaanvraag en legt dwangsom op

Eiseressen dienden op 27 december 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De minister wees deze aanvraag bij besluit van 13 november 2024 af. Eiseressen maakten bezwaar op 22 november 2024, waarop de minister tot op heden niet heeft beslist. Na ingebrekestelling op 14 augustus 2025 stelden zij op 21 september 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn voor het bezwaar is verstreken en dat eiseressen tijdig beroep hebben ingesteld na ingebrekestelling. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen op het bezwaar.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €437,50. De rechtbank wijst het verzoek tot vrijstelling van griffierecht toe en doet uitspraak zonder zitting.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister binnen acht weken alsnog te beslissen op het bezwaar en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45899

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eiseressen,
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

Eiseressen hebben op 27 december 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis (MVV).
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen.
Eiseressen hebben op 22 november 2024 bezwaar aangetekend tegen dit besluit.
De minister heeft tot op heden nog geen beslissing op bezwaar kenbaar gemaakt.
Bij brief van 14 augustus 2025 hebben eiseressen de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaar. Eiseressen hebben vervolgens op 21 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Overwegingen

1. Eiseressen hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseressen hoeven dus geen griffierecht te betalen.
2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
3. Het niet tijdig nemen van een besluit wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. [2]
4. Een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken, nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
5. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op het bezwaar te beslissen is verstreken. [4] Eiseressen hebben de minister na het verstrijken van de beslistermijn in gebreke gesteld. Eiseressen hebben meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
6. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
7. Omdat de minister nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. De minister moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. [5] In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank een andere termijn geven. [6] De minister heeft geen verweerschrift ingediend en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 volgt dat bij het bepalen van de lengte van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter mag geen termijn stellen waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan die niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. De rechtbank is bekend met de grote achterstanden bij het beslissen op nareisaanvragen en bezwaarschriften in nareisprocedures bij de minister. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de minister binnen acht weken na dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit bekend dient te maken op de aanvraag van eiseressen.
8. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. [7]
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiseressen een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie art. 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie art. 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie art. 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Zie art. 76 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw).
5.Zie art. 8:55, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.Zie art. 8:55, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.Zie art. 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).