Eiser heeft een verzoek tot naturalisatie ingediend dat door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen vanwege een onherroepelijke veroordeling tot een taakstraf van 80 uur, voltooid in november 2022. De minister baseerde zich op het beleid van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de Handleiding RWN, waarin wordt gesteld dat een taakstraf van 36 uur of meer binnen vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een ernstig vermoeden van gevaar voor de openbare orde oplevert.
Eiser voerde aan dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals het optreden uit noodweer ter verdediging van zijn broer, het feit dat hij first offender is, geen recidive vertoonde, volledig meewerkte met politie, spijt betuigde en dat hij goed geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving. Hij stelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met deze omstandigheden en dat de coronacrisis de afronding van zijn taakstraf had vertraagd.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen bijzondere omstandigheden heeft aangenomen die afwijken van het beleid rechtvaardigen. De aangevoerde omstandigheden waren voorspelbaar en vielen binnen het kader van het beleid. Vertraging door de coronacrisis is een voorzienbaar gevolg van het beleid en rechtvaardigt geen afwijking. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de persoonlijke situatie van eiser, kan dit het oordeel over de rechtmatigheid van het besluit niet veranderen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de afwijzing van het naturalisatieverzoek blijft in stand, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.