ECLI:NL:RBDHA:2025:22284

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.38005
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit verlenging overdrachtstermijn asielzoekers wegens kennelijke verschrijving

Eisers hebben asielaanvragen ingediend die door de minister niet in behandeling zijn genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. Na eerdere ongegronde beroepen is de minister overgegaan tot verlenging van de overdrachtstermijn tot 12 september 2026. Eisers stelden dat zij niet ondergedoken waren, maar slechts niet wilden meewerken aan het vervoer op de geplande overdrachtsdatum.

De rechtbank oordeelt dat in het bestreden besluit abusievelijk de datum 3 augustus 2025 is vermeld als datum van niet-melden, terwijl dit 5 augustus 2025 betreft. Dit is een kennelijke schrijffout die het besluit een zorgvuldigheidsgebrek geeft en eisers in hun belangen schaadt. Daarom wordt het besluit vernietigd. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen in stand omdat de minister het gebrek in beroep heeft hersteld en eisers de gelegenheid hebben gehad daarop te reageren.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eisers zich op 5 augustus 2025 buiten bereik van de autoriteiten bevonden, waarmee sprake is van onderduiken conform artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De minister mocht daarom de overdrachtstermijn verlengen tot maximaal 18 maanden. Eisers krijgen een proceskostenvergoeding van €1.814 toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38005

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], v-nummers: [nummer 1] en [nummer 2], eisers
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.W. Immink).

Inleiding

1. Eisers hebben op 1 december 2024 asielaanvragen ingediend. De minister heeft de aanvragen met het bestreden besluit van 24 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eisers zijn in beroep gegaan. Bij uitspraken van 18 april 2025 en 25 juli 2025 heeft deze rechtbank de beroepen van eisers ongegrond verklaard. Daarmee staan de besluiten van 24 maart 2025 in rechte vast. [1]
1.1.
In het besluit van 5 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft de minister besloten de overdrachtstermijn van eisers te verlengen tot 12 september 2026. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 op zitting behandeld samen met zaak NL25.38006. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het verlengen van de overdrachtstermijn van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de minister de overdrachtstermijn tot 18 maanden heeft mogen verlengen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit staat dat eisers zich op 3 augustus 2025 niet voor de geplande overdracht hebben gemeld. Daarom is de overdracht geannuleerd. De Bulgaarse autoriteiten zijn hiervan op dezelfde dag op de hoogte gesteld en aan hen is ook meegedeeld dat de termijn voor de overdracht tot 18 maanden is verlengd ‘
due to the disappearance of the person concerned’. Eisers zijn vervolgens diezelfde dag op de hoogte gesteld van het besluit tot verlengen van de overdrachtstermijn op de grond dat eisers zijn ondergedoken zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening (Dvo).

Heeft de minister mogen concluderen dat eisers zijn ondergedoken?

5. Eisers betogen dat de minister de overdrachtstermijn niet heeft mogen verlengen. Daartoe voeren zij aan dat zij niet zijn ondergedoken, maar slechts niet mee hebben willen werken aan hun transport op de datum van overdracht. Eisers benadrukken dat zij op 3 augustus 2025 gewoon in hun kamer waren en slechts niet hebben willen meewerken aan het vervoer. Zij wijzen op de omstandigheid dat zij op 4 augustus 2025, een dag voor de overdracht, de planning vervoer van het COa in ontvangst hebben genomen. Eisers wijzen verder op jurisprudentie waaruit volgt dat het niet meewerken aan een overdracht niet geldt als onderduiken, omdat eisers zich nooit aan het gezag van de autoriteiten hebben onttrokken. [2]
Het juridisch kader
6. In het arrest Jawo, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd dat iemand onderduikt wanneer hij doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. [3]
De feitelijke gang van zaken
7. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat de datum van overdracht niet 3, maar 5 augustus 2025 was. Verder blijkt uit de door de minister overgelegde documentatie dat eisers reeds op 1 mei 2025 zijn geïnformeerd over de verplichting om medewerking te geven aan de overdracht en dat zij op 31 juli dan wel 1 augustus 2025 al op de hoogte waren gesteld van de vertrekprocedure en de vluchtgegevens. Verder zijn eisers op 4 augustus 2025 geïnformeerd over de ophaaltijd. [4] Deze feiten zijn als zodanig niet betwist door eisers.
Kennelijke verschrijving
8. Ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de mededeling in het bestreden besluit van 5 augustus 2025 dat eisers op 3 augustus zouden zijn vertrokken zonder bekend te zijn waarheen berust op een kennelijke verschrijving. De datum van overdracht is volgens de minister 5 augustus 2025. De minister heeft de rechtbank daarom verzocht om aan het gebrek voorbij te gaan op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.1.
Eisers hebben aangevoerd dat tussen 3 en 5 augustus 2025 een verschil van twee dagen zit en dat een verschrijving daarom niet aannemelijk is.
9. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat de datum van 3 augustus 2025 die in het bestreden besluit staat vermeld berust op een kennelijk schrijffout, dat aan het bestreden besluit daarom een zorgvuldigheidsgebrek kleeft en dat dit zorgvuldigheidsgebrek eisers ook in hun belangen heeft geschaad. Redengevend voor dit oordeel is dat de gemachtigde van eisers door deze foutieve datum op het verkeerd spoor is gezet en, naar blijkt achteraf, op onjuiste feitelijke gronden beroep heeft ingesteld. Dit betekent dat dat de rechtbank niet aan het gebrek voorbijgaat op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb en dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat de minister het gebrek in beroep heeft hersteld en omdat eisers de kans hebben gehad om daarop te reageren.
Is sprake van onderduiken?
10. Het betoog van eisers slaagt niet. Uit de door de minister overgelegde documentatie, waaronder het verslag (vertrek-gesprek en het standaardformulier Tijdelijk Buiten Bereik autoriteiten blijkt dat eisers wisten dat zij op 5 augustus 2025 zouden worden overgedragen en dat zij aanwezig moesten zijn op hun kamer, dan wel direct waarneembaar moesten zijn op het COa-terrein, en dat zij dat niet waren. Het betoog van eiseres dat zij wellicht om 6:45 uur die ochtend misschien niet op hun kamer waren maar om 8:15 uur wel doet niet af aan de omstandigheid dat zij zonder toestemming en op een – zoals zij wisten - cruciaal momentbuiten bereik van de autoriteiten verkeerden als gevolg waarvan de overdracht is gefrustreerd, waarmee sprake is van onderduiken.
10.1.
De rechtbank volgt niet het betoog van eisers dat de overdrachtstermijn liep tot 12 september 2025 en dat de minister daarom nog voldoende tijd heeft om eisers over te dragen. Dat doet niet af aan het gegeven dat eisers buiten bereik van de autoriteiten als gevolg waarvan de overdracht niet kon worden uitgevoerd. [5] De minister mag de overdrachtstermijn in dat geval verlengen tot maximaal 18 maanden op grond van artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Gezien het onder 9. weergegeven oordeel blijven de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Die vergoeding bedraagt € 1814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en de zitting heeft bijgewoond (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 907,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit van 5 augustus 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Utrecht en ’s-Hertogenbosch van 18 april 2025 en 25 juli 2025, zaaknummers NL25.14028 en NL25.13774 (niet gepubliceerd).
2.Eisers wijzen op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630. Verder wijst eiser op een uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2935.
3.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punt 70. (Jawo).
4.Dit volgt uit het verslag van het (vertrek-) gesprek van 1 augustus 2025 en uit het standaardformulier Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten.
5.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11459, rechtsoverweging 6.1.