Eisers hebben asielaanvragen ingediend die door de minister niet in behandeling zijn genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. Na eerdere ongegronde beroepen is de minister overgegaan tot verlenging van de overdrachtstermijn tot 12 september 2026. Eisers stelden dat zij niet ondergedoken waren, maar slechts niet wilden meewerken aan het vervoer op de geplande overdrachtsdatum.
De rechtbank oordeelt dat in het bestreden besluit abusievelijk de datum 3 augustus 2025 is vermeld als datum van niet-melden, terwijl dit 5 augustus 2025 betreft. Dit is een kennelijke schrijffout die het besluit een zorgvuldigheidsgebrek geeft en eisers in hun belangen schaadt. Daarom wordt het besluit vernietigd. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen in stand omdat de minister het gebrek in beroep heeft hersteld en eisers de gelegenheid hebben gehad daarop te reageren.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eisers zich op 5 augustus 2025 buiten bereik van de autoriteiten bevonden, waarmee sprake is van onderduiken conform artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De minister mocht daarom de overdrachtstermijn verlengen tot maximaal 18 maanden. Eisers krijgen een proceskostenvergoeding van €1.814 toegekend.